Vondeling leggen

home-vondeling

Babydoding

home-neonaticide

Zusmoederschap

home-zusmoederschap

Illegale opneming

home-opneming

Vondelingen en babylijkjes in Nederland

22 maart 1958, vondeling Bernardus, Amsterdam

 

Leeuwarder Courant, 24 maart 1958: "Koopman vindt baby naast ochtendblad"
Nieuwsblad van het Noorden, 24 maart 1958: "Lentesurprise voor Amsterdammer - Vondeling onder aan de trap"

De lente van 1958 heeft voor een 32-jarige koopman te Amsterdam het spreekwoord „een nieuwe lente — een nieuw geluid" letterlijk in de praktijk gebracht. Toen hij zaterdagochtend vroeg in zijn woning aan de Archimedesweg van één-hoog de trap afdaalde om bij de voordeur het ochtendblad te gaan halen, hoorde hij het klagelijk schreien van een baby. Inderdaad lag onder aan de trap tegen de onderste tree een baby, die warm ingepakt was in enige lakentjes en dekens. De koopman vergat het ochtendblad en snelde met In zijn armen de grootste primeur, die hem ooit thuisbezorgd was, ijlings de trap op naar zijn vrouw. Het echtpaar zelf bezit geen kinderen.

De baby bleek een pasgeboren jongetje te zijn. Tussen de dekens zat een vermoedelijk uit een zakagenda gescheurd blaadje, waarop in groene letters gedrukt stond: „vrijdag 21 maart". Weinig kinderen hebben het met zo'n informele geboorte-aankondiging moeten doen. Dat de kleine juist bij de koopman te vondeling werd gelegd, is vermoedelijk alleen het gevolg van het zeer slecht werkende slot van de toegangsdeur. Intussen is de vondeling op last van de justitie ter verzorging overgebracht naar het Onze Lieve Vrouwe Gasthuis.

 

De Tijd, 24 maart 1958: "Vondeling in trapportaal"

Zaterdagmorgen heeft de bewoner van een buis aan de Archimedesweg te Amsterdam in het trapportaal een huilend pas geboren jongetje gevonden. De baby was in enige lakens en dekens gewikkeld, waarin ook een velletje uit een zakagenda lag. Het zakagendapapiertje was van „vrijdag 21 maart", waarmee dus waarschijnlijk de geboortedatum van het kind is aangegeven. Alle verdere gegevens ontbreken. De waarnemend chef van het politiebureau Linnaeusstraat (tel. 59233) verzoekt degenen die inlichtingen over de identiteit van de baby en zijn moeder kunnen verschaffen, zich met hem in verbinding te stellen.

 

De Waarheid, 24 maart 1958: "Baby aan huis bezorgd"

Bij een Amsterdams echtpaar is dezer dagen een baby „achter de trap te vondeling gelegd". De man ontdekte het waarschijnlijk één dag oude schepseltje toen hij het ochtendblad uit de bus wilde halen. Het was in dekens en lakens gewikkeld. Toen het (kinderloze) echtpaar de hoogst vreemde vondst uit de doeken deed, viel een scheurkalenderblaadje op de grond met de datum vrijdag 21 maart er op, vermoedelijk de dag waarop deze jonggeborene het levenslicht zag. De prille mannelijke wereldburger werd met spoed naar het gasthuis overgebracht. De politie zoekt naar de moeder. Aangenomen wordt, dat de baby „willekeurig is bezorgd". Het slot van het pand waar het verraste echtpaar woont is n.l. uitermate slecht.

 

Friese Koerier, 24 maart 1958: "Lentesurprise voor Amsterdamse koopman - Vondeling onder aan de trap met alleen briefje"

AMSTERDAM (ANP) — De lente van 1958 heeft voor een 32-jarige koopman te Amsterdam de dichtregel „Een nieuwe lente, een nieuw geluid" letterlijk in de praktijk gebracht. Toen hij zaterdagochtend vroeg in zijn woning aan de Archimedesweg van een-hoog de trap afdaalde om bij de voordeur het ochtendblad te gaan halen, hoorde hij het klaaglijk schreien van een baby en ontwaarde tot zijn stomme verbazing helemaal onder aan de trap, zo veilig mogelijk tegen de onderste tree genesteld, een baby die warm weg gewikkeld was in enige lakentjes en dekens.

Het ochtendblad lag als gewoonlijk vlak achter de deur, maar de koopman vergat zijn krantje en snelde met in zijn armen de grootste primeur die hem ooit thuisbezorgd was, ijlings de trap op naar zijn vrouw. Het echtpaar zelf bezit geen kinderen. Briefje Boven pakte men de baby uit. Het bleek een pasgeboren jongetje te zijn en tussen de dekens zat een vermoedelijk uit een zakagenda gescheurd blaadje, waarop in groene letters gedrukt stond: „vrijdag 21 maart". Weinig kinderen hebben het met zon informele geboorteaankondiging moeten doen. De politie is er nog niet achter gekomen wie de moeder is en waarom de baby juist op dit adres te vondeling werd gelegd. Vermoedelijk is dat alleen het gevolg van het zeer slecht werkend slot van de toegangsdeur, „dat door een kind geopend kan worden", aldus de rechercheur van het bureau Linaeusstraat, Vast staat, dat de moeder niet uit hetzelfde perceel afkomstig is. De recherche houdt zich aanbevolen voor inlichtingen. Intussen is de vondeling op last van de justitie ter verzorging overgebracht naar het Onze Lieve Vrouwe-Gasthuis.

 

Leeuwarder Courant, 28 november 1958: "Koopman vindt baby naast ochtendblad"

Op zaterdag 22 maart werd in een portiek aan de Amsterdamse Archimedesweg een pasgeboren jongetje gevonden, dat daar te vondeling was gelegd. In verband hiermee heeft de politie te Leeuwarden drie arrestaties verricht.

De arrestanten, die vanmorgen voor de officier van justitie zijn geleid, zijn de 25-jarige M. S. J. T.-v. d. V., de moeder van het kindje, haar vader, de 48-jarige J. v. d. V. en haar moeder, de 48-jarige T. v. d. V.-de V., allen uit Leeuwarden. Voorts is bij deze zaak betrokken de 45-jarige J. P. te Leeuwarden, die reeds uit andere hoofde is gedetineerd. Het te vondeling leggen is gebeurd door de grootvader van het jongetje. Op de vroege morgen van zaterdag 22 maart werd de baby aangetroffen door een 32-jarige koopman, die van een-hoog de trap van zijn huis aan de Amsterdamse Archimedesweg afdaalde om bij de voordeur het ochtendblad te gaan halen. Hij hoorde het klagelijk schreien van een kind en vond tot zijn grote verrassing onder aan de trap tegen de onderste trede 'n baby, die warm was ingepakt in enkele lakentjes en dekens. De koopman nam het kind op en rende er mee naar boven.

Tussen de dekens trof men een uit een zakagenda gescheurd blaadje aan waarop in groene letters stond: „Vrijdag 21 maart", een uiterst informele geboorteaankondiging. Men had de woning van deze koopman kennelijk uitgekozen omdat het slot van de deur slecht werkte en men makkelijk de deur kon openen zonder sleutel. De baby is op last van de justitie ter verzorging opgenomen in het Onze Lieve Vrouwe Gasthuis. Het langdurig en volhardend speuren door de Leeuwarder recherche in deze zaak schijnt thans met succes bekroond te zijn. Het lijkt zeer waarschijnlijk, dat de drie verdachten in verzekerde bewaring zullen worden gesteld. Over de baby vernemen wij, dat het kindje niet meer in genoemd gasthuis te Amsterdam wordt verpleegd doch elders. Het jongetje maakt het uitstekend.

 

Leeuwarder Courant, 29 november 1958: "De zaak van de vondeling P. in arrest wegens oplichting Bolsward"

In de zaak van het te vondeling leggen van een baby van een Leeuwarder vrouw is, naar wij gisteren hebben bericht, ook een zekere J. P. 45 jaar, betrokken, die in het Huis van Bewaring te Leeuwarden verblijft.

Deze P. met wie de moeder van de te vondeling gelegde baby, de 25-jarige M. T. v.d. V. in concubinaat heeft geleefd, werd donderdag 21 augustus j.l. gearresteerd, verdacht van oplichting ten nadele van een rustend veehouder te Bolsward, die hij een bedrag tussen de ƒ 28.000 en ƒ 29.000 zou hebben afgetroggeld met de meest fantastische duimzuigerijen.

 

De Tijd, 29 november 1958: "Baby te vondeling gelegd - Moeder en grootouders gearresteerd"

(Van onze correspondent) De recherche te Leeuwarden heeft drie inwoners van de Friese hoofdstad gearresteerd, die inmiddels hebben bekend schuldig te zijn aan het te vondeling leggen te Amsterdam van een pasgeboren jongetje op 22 maart van dit jaar. Op die ochtend vond een koopman aan de Archimedesweg op de mat in zijn woning een pasgeboren kind, dat warm was ingepakt. Tussen de dekentjes zat een briefje, waarop "Vrijdag 21 maart" stond geschreven.

De 25-jarige moeder van het kind, die gescheiden leeft van haar man, is achterhaald. Haar vader reisde met het kind en in gezelschap van een 46-jarige inwoner uit Leeuwarden naar Amsterdam, waar het een koud kunstje bleek om in de woning van de koopman door te dringen. het slot van de deur was namelijk niet in orde. De grootvader van het kind, diens echtgenote en de moeder van het kind zijn intussen voor de officier van justitie geleid en hebben bekend. De vierde medeplichtige, de eerstgenoemde 46-jarige man zit al enige maanden in hechtenis wegens oplichting van een veehouder te Bolsward voor een bedrag van veertigduizend gulden. Hij is een goede bekende van de politie: was dat al voor de oorlog. Tijdens de bezetting maakte hij zich meermalen aan oplichting schuldig, waarbij een aantal Joden de dupe werd. Na de oorlog werd hij veroordeeld tot negen jaar gevangenisstraf.

 

De Telegraaf, 29 november 1958: "Gezin legde kind te vondeling - Agendablaadje bracht misdrijf aan het licht"

(Van een onzer verslaggevers) LEEUWARDEN, zaterdag. De arrestatie van een Leeuwarder gezin - vader, moeder en dochter - heeft de oplossing gebracht in een misdrijf dat ruim zeven maandenlang een volkomen mysterie scheen: alle drie hebben bekend de hand te hebben gehad in het te vondeling leggen van een jongetje van één dag oud, dat op 22 maart van dit jaar op de Archimedesweg te Amsterdam in een portiek werd gevonden.
De baby blijkt een zoon te zijn van de 25-jarige Maria S. J. van der V. Ook de vader van het kind, de 45-jarige J. P., heeft inmiddels bekend betrokken te zijn geweest bij deze affaire. Hij bevindt zich reeds enige tijd in voorlopige hechtenis als verdachte in een oplichtingszaak, waarbij een Bolswarder boer ƒ 28.000.- kwijt raakte.

Blaadje
Het was een ontstelde bewoner van de Archimedesweg in Amsterdam-O. die in de vroege ochtend van de 22ste maart voor zijn huisdeur in een portiek een kruisende baby vond, gewikkeld in een paar dekentjes. Het kind was klaarblijkelijk een dag eerder geboren, want tussen de dekentjes werd later in het O.L.V.-gasthuis een blaadje gevonden dat uit een zakagenda was gescheurd en dat de 21ste maart als datum droeg. Bij een verhoor van J. P. over een geheel andere aangelegenheid liet deze zich enkele woorden ontvallen, die de rechercheurs aanleiding gaven na te gaan wat hij in de nacht van 21 op 22 maart had uitgevoerd. Men ontdekte daarbij dat uit een oude agenda van B. het blaadje met die datum was verdwenen: de oude aanwijzing, welke eerst niets had opgeleverd, had plotseling weer een actuele betekenis en het duurde niet lang of P. bekende met hulp van de vader van Maria v. d. V. het kind kort na de geboorte in Amsterdam te vondeling te hebben gelegd. De volledige oplossing van het mysterie van de baby van de Archimedesweg bleek daarna simpel te zijn. J. P. was, toen hij zich in Leeuwarden vestigde, in de kost gekomen bij de 49-jarige PTT-monteur J. v. d. V. en diens 48-jarige vrouw. Maria, die bij haar ouders inwoonde had na het vertrek van haar echtgenoot relaties met P. aangeknoopt. Na de geboorte van haar tweede kind besloten P. en de familie Van der V. het te vondeling te leggen: er werd een nachtelijke autorit gemaakt naar Amsterdam waar men geruime tijd rondreed om een zeer stille plek te vinden. P. heeft een aanwijzing willen geven voor de datum waarop het kind was geboren en had daartoe het blaadje uit zijn agenda gescheurd. Zowel Maria van der V. als haar ouders zijn inmiddels voorgeleid voor de officier van Justitie te Leeuwarden. Zij worden verdacht van het misdrijf een kind te vondeling te leggen en te verlaten met de bedoeling zich ervan te ontdoen. De maximumstraf voor dit misdrijf is vier jaar en zes maanden.

 

Nieuwsblad van het Noorden, 29 november 1958: "Kind te vondeling gelegd - Amsterdamse koopman zocht de krant en vond... een Leeuwarder baby - Moeder en grootvader voorgeleid"

(Van onze correspondent te Leeuwarden) In verband met het te vondeling leggen van een pasgeboren kind zijn gistermorgen drie personen, allen te Leeuwarden, voor de Officier van Justitie geleid. De geschiedenis begon op vrijdag 21 maart van dit jaar. Op de avond van die dag schonk de 25-jarige M. S. J. v.d. V. het leven aan een jongetje. Haar vader, de 48-jarige J. v.d. V., nam het kind mee en bracht het, in gezelschap en met medewerking van een zekere J. P., diezelfde avond naar Amsterdam, waar de baby werd gedeponeerd in een huis aan de Archimedesweg.

In de vroege morgen van de volgende dag ging de bewoner, een 32-jarige koopman, naar beneden om de krant uit de bus te halen. Tot zijn grote verwondering vond hij toen een baby, die tegen de onderste trede van de trap was gelegd. En zijn vrouw was niet minder verbaasd, toen haar man met de krant, maar een kind de kamer binnenbracht. Meteen werd het vondelingetje uit de dekens, waarin het warmpjes was gewikkeld, gehaald. Tussen de dekens vond het echtpaar een briefje, dat kennelijk uit een notitieboekje was gescheurd en waarop in groene letters „vrijdag 21 maart" was geschreven. Op last van de Amsterdamse politie werd het jongetje overgebracht naar het Onze Lieve Vrouwengasthuis. Daar is het verpleegd en later opgenomen in een inrichting. Ondertussen meld de politie zich voortdurend met het geval bezig. Zij kon echter geen spoor ontdekken. Tot het moment, waarop de recherche van de Leeuwarder gemeentepolitie een „draad" tussen Amsterdam en Leeuwarden ontdekte.

Voornamelijk dank zij haar werk, slaagde men er in de daders te arresteren: de moeder van het kind, haar vader en diens vrouw. J. P. was reeds in verband met een ander geval ingesloten. Het andere drietal, dat de afgelopen week werd aangehouden, is gistermorgen voor de Officier van Justitie te Leeuwarden geleid. Zij hebben bekend aan dit geval, dat op een vroege maartmorgen in een huis aan de Archimedesweg te Amsterdam zoveel opschudding verwekte, schuldig te zijn. Het te vondeling gelegde jongetje is het tweede kind van de 25-jarige M. S. J. v. d. V., die in verband met huwelijksmoeilijkheden van haar man gescheiden leeft.

 

Friese Koerier, 29 november 1958: "Leeuwarder recherche lost „vondelingenzaak” op - Drie arrestaties wegens het te vondeling leggen van een baby in Amsterdam"

LEEUWARDEN — Dank zij uitstekend opsporingswerk van de Leeuwarder recherche is klaarheid gebracht in een zaak, die de politie van Amsterdam reeds sinds maart bezighield en die deze reeds als onoplosbaar aanmerkte. Op 22 maart j.1., in alle vroegte, vond de 32-jarlge koopman B. H. een huilende baby in de portiek van zijn woning aan de Archimedesweg in Amsterdam-Oost. Het kind was gewikkeld in enkele dekentjes en lakentjes, waartussen een agendablaadje was gestoken, waarop met groene inkt stond vermeld: „Vrijdag 21 maart". De koopman gaf de vondst aan en de Amsterdamse recherche stelde pogingen in het werk deze vondelingenzaak op te helderen. Vergeefs. Tot nu de Leeuwarder recherche is overgegaan tot arrestatie van drie leden van het gezin Van der V. te Leeuwarden, die gisteren voor de subst.-officier van justitie, mr. W. H. Kuipers, zijn geleid en bekend hebben bij de zaak betrokken te zijn.

De oplossing is voor de recherche ook onverwacht gekomen. Zij werkte namelijk aan een heel andere zaak en vond toen aanwijzingen, die leidden tot nieuwe arrestaties en tot het tot klaarheid komen van de vondelingenzaak. Zoals we onlangs meldden arresteerde de politie te Bolsward de 45-jarige vertegenwoordiger J. P. uit Leeuwarden wegens oplichting van een veehouder in de buurt van de stad van Gysbert Japix voor een bedrag van ƒ 28,000,-. P. ontkende; hij werd naar Leeuwarden overgebracht, waar de recherche hem duchtig aan de tand voelde en probeerde zijn gangen vin de laatste maanden na te gaan. Hierbij werd een hiaat ontdekt voor de 21ste maart.

P., hierover onderhouden, kwam toen met de verklaring, dat hij in de nacht van 21 op 22 maart j.l. met zijn kostbaas, de 48-jarige J. van der V., naar Amsterdam was geweest. En van lieverlede kwam toen een heel nieuw verhaal los, dat de opheldering van de vondelingenzaak tot gevolg had. P. vertelde in zijn kosthuis in kennis te zijn gekomen met de inwonende gehuwde dochter van de Van der V.'s, de 25-jarige Martha S. J. T.-Van der V. Toen op een gegeven ogenblik de echtgenoot van deze vrouw niet langer bij zijn schoonouders wilde blijven wonen en het huls verliet, is er een verhouding ontstaan tussen P. en de jonge vrouw. Op 21 maart werd er een baby geboren. De vrouw en haar ouders spraken toen met P. af, dat dit kind uit de woning zou worden verwijderd, bang als men was, dat er „praat" van zou komen. P. ging op het voorstel van de familie Van der V. in en stelde voor de kleine naar Amsterdam over te brengen en daar te vondeling te leggen. De grootmoeder van het kind wikkelde het in enkele dekens en lakentjes, waarop Van der V. en P. het wegbrachten. Ergens in Amsterdam-Oost, zo vertelde P., vond men een woning waarvan de deur aanstond; Het kind is daar op de onderste traptrede gelegd, waarna de beide mannen de benen namen. Nadat de bewoner van het pand, de heer H. het kind had gevonden, is het naar het politiebureau overgebracht en vervolgens naar het Onze Lieve Vrouwegasthuis, waar het enkele weken verpleegd is. De Raad voor de Kinderbescherming nam de baby toen onder haar hoede en heeft die naar elders laten overbrengen. Toen indertijd de vondst in de dagbladen bekend werd gemaakt, kwamen er uit tal van plaatsen brieven binnen van echtparen, die de baby graag wilden adopteren. Hiertoe is men nog niet overgegaan.

De Leeuwarder familie is nu ter beschikking van de officier van justitie gesteld. P. en Van der V. worden vervolgd wegens het te vondeling leggen van een kind beneden de leeftijd van zeven jaar, de moeder wegens medeplichtigheid en de grootmoeder wegens medeplichtigheid door het beschikbaar stellen van de dekens en lakentjes.

 

Leeuwarder courant, 2 januari 1959: "Rechtbank behandelt zaak te vondeling leggen baby"

Woensdag 7 januari zal de rechtbank te Leeuwarden de zaken behandelen te gen drie verdachten, die de hand hebben gehad in het te vondeling leggen van een baby te Amsterdam. Het zijn de 25-jarige M. T.-v. d. V. te Leeuwarden, die op 21 maart j.l. haar kind had meegegeven aan zekere J. P met het doel, dat deze het te vondeling zou leggen; de 48-jarige J. v. d. V, PTT-monteur te Leeuwarden, die het kindje in de nacht van 21 op 22 maart in de Amsterdamse portiek te vondeling heeft gelegd, en zijn echtgenote de 49-jarige T. v. d. V.-de V. te Leeuwarden, die haar man en J. P. behulpzaam is geweest bij het te vondeling leggen. De drie verdachten zijn momenteel gedetineerd. P. zal over onbepaalde tijd berecht worden daar tegen hem nog andere beschuldigingen zijn ingebracht en hij dan voor alle hem ten laste gelegde misdaden terecht zal staan. Hij zal eerst psychiatrisch worden onderzocht.

 

Friese koerier, 3 januari 1959: "Zaak te vondeling; gelegde baby komt woensdag a.s. voor"

LEEUWARDEN — Woensdag 7 januari a.s. zal de rechtbank te Leeuwarden de zaak behandelen van de op 21 maart, van het vorig jaar in Amsterdam te vondeling gelegde baby. Zoals bekend werden in verband hiermee gearresteerd de 25-jarige M. T.-de V., de moeder van de baby, haar vader de 48-jarige J. v. d. V. en diens vrouw de 49-jarige T. v. d. V.-de V., allen uit Leeuwarden.

Uit de eerste verhoren is toen gebleken dat J. v. d. V. in gezelschap van de 51-jarige J. P. het kindje per auto naar Amsterdam heeft gebracht en daarin een portiek te vondeling heeft gelegd. Tussen de kleertjes van de baby — een jongetje — werd een briefje gevonden. Dit briefje is de drie genoemde personen uiteindelijk noodlottig geworden want uit de agenda van P., die reeds in verzekerde bewaring zat, bleek dit briefje afkomstig te zijn. Voor de justitie was het toen niet moeilijk de zaak tot een oplossing te brengen en tot arrestatie over te gaan.

P. zal woensdag a.s. niet terecht staan. Hem worden nog andere dingen ten laste gelegd, o.a. oplichting van een boer in de omgeving van Bolsward voor een bedrag van circa ƒ 25.000. Nadat P. psychiatrisch zal zijn onderzocht zal hij zich te zijner tijd moeten verantwoorden voor zijn gepleegde misdaden.

 

Nieuwsblad van het Noorden, 7 januari 1959: "Kind te vondeling gelegd - Officier van Justitie te Leeuwarden eist jaar met aftrek tegen moeder - Eis tegen grootvader 9 maand"

(Van een onzer correspondenten) Vanmorgen behandelde de Leeuwarder rechtbank de zaak van de in Amsterdam te vondeling gelegde baby in de nacht van 21 op 22 maart 1958. Terecht stonden de moeder de 25-jarige Martha S. J. T. v. d. V.; en haar ouders de 48-jarige monteur P.T.T. J. v. d. V. en zijn echtgenote de 49-jarige huisvrouw Trijntje v. d. V.—de V., allen te Leeuwarden.

De vader van het kind, de gehuwde 45-jarige J. P., die het kind samen met J. v. d. V. naar Amsterdam had gebracht, zal later terechtstaan, omdat hij zich tevens aan andere feiten heeft schuldig gemaakt, o.a. een oplichting van ruim f 30.000 te Bolsward. Martha T.-v. d. V. leefde de laatste jaren gescheiden van haar man bij haar ouders. Hier knoopte zij relaties aan met de ex-politieke delinquent J. P. Op grond hiervan wilde haar man een echtscheidingsprocedure aanhangig maken, waarbij hun achtjarig dochtertje dan aan hem zou worden toegewezen. Om dit te voorkomen, hield Martha T. verborgen dat zij een kind verwachtte. Ook ontkende zij tegenover de buren, dat zij zwanger was.

Deze praatjes kwamen ook haar man ter ore, maar toen niets van bevalling bleek, deed hij op advies van zijn raadsman aangifte bij de politie van een vermoedelijk geval van abortus. Daarvan bleek echter niets. De zaak kwam aan het rollen toen J. P. wegens oplichting werd gearresteerd op 21 augustus 1958 en men o.a. een zakagenda op hem vond waaruit een blaadje ontbrak, hetzelfde blaadje dat op 22 maart gevonden was op een te vondeling gelegde baby in de portiek van het woonhuis, Archimedesweg 52 te Amsterdam. Uit wraakgevoelens tegenover het gezin v. d. V. legde J. P. daarop zeer bezwarende verklaringen af over dit gezin. Hierop kwam hij later grotendeels terug.

De moeder van de vondeling — het was een jongetje — stond terecht wegens 't afgeven van haar kind met het oogmerk het kind te vondeling te leggen. Haar was tevens ten laste gelegd, dat zij haar buurvrouw voor f 280 had opgelicht, door te vertellen dat J. P. een rijke oorlogsvlieger was, die veel geld in een Belgisch klooster had verstopt, welk geld door een monnik over de grens zou worden gebracht. De Officier, mr. H. W. Kuipers, achtte het laatste geval, de oplichting, niet bewezen, omdat zij toen nog voetstoots de verhalen van J. P. accepteerde en vroeg vrijspraak. Voor het afgeven van haar kind, dat daardoor grote risico's had gelopen, eiste hij een jaar met aftrek.

De grootmoeder van de baby was ten laste gelegd, dat zij voor lakens en een wollen dekentje had gezorgd voor het vervoer. Tegen haar vorderde de Officier vrijspraak, omdat zij toen nog niet wist dat het kind te vondeling zou worden gelegd. Tegen de grootvader J. v. d. V., die met J. P. het kind in een auto naar Amsterdam had gebracht, vorderde hij 9 maanden met aftrek. De zitting had met gesloten deuren plaats. Alleen het requisitoir en het pleidooi van mr. P. E. van Krevelen waren openbaar.

 

De Waarheid, 8 januari 1959: "Baby te vondeling gelegd"

De rechtbank te Leeuwarden heeft met gesloten deuren behandeld de zaak tegen een drietal verdachten, die betrokken zijn geweest bij het te vondeling leggen van een baby in Amsterdam op 21 maart 1958. Tegen de 25-jargie mevrouw T., die gescheiden van haar man leefde, werd een jaar geëist en tegen de 48-jarige grootvader V. negen maanden. De grootmoeder werd vrijgesproken.

 

Leeuwarder courant, 8 januari 1959: "Baby te vondeling gelegd"

Met gesloten deuren heeft de Leeuwarder rechtbank gisteren de zaak van de in Amsterdam te vondeling gelegde Leeuwarder baby behandeld, zoals wij woensdag reeds in een deel van onze editie konden vermelden. Het requisitoir van de officier van justitie, mr. H. VV. Kuipers en het pleidooi van de raadsman der drie verdachten, mr. P. E. van Krevelen, waren evenwel openbaar. De publieke belangstelling voor deze tragische zaak was vrij groot.

De officier eiste tegen de moeder van het kind (een jongetje), de 25-jarige M. S. J. T.—v. d. V., een straf van een jaar met aftrek van het voorarrest (ruim een maand). Tegen haar vader, de 48-jarige PTT-monteur J. v. d. V„ die beschuldigd werd het kind in het trappenhuis van een flat aan de Amsterdamse Archimedesweg te vondeling te hebben gelegd, vroeg hij negen maanden met aftrek. Tegen diens vrouw, de 49-jarige T. v. d. V.-de V., eiste de officier vrijspraak, daar z.i. haar medeplichtigheid niet bewezen kon worden. De ook aan de eerstgenoemde verdachte ten laste gelegde oplichting achtte de officier niet bewezen. Hiervoor vroeg hij derhalve vrijspraak. De raadsman verzocht aan het eind van zijn pleidooi de onmiddellijke invrijheidsstelling van zijn cliënten. Na raadkamer willigde de rechtbank dit verzoek slechts in t.a.v. de grootmoeder van het te vondeling gelegde kind, T. v. d. V.-de V.

De gang van zaken van dit drama is — naar wij hebben mogen opmaken uit requisitoir en pleidooi en uit andere mededelingen — in grote trekken als volgt. Martha T.—v. d. V., die reeds op jeugdige leeftijd getrouwd was, woonde met haar man en dochtertje in bij haar ouders. Er was ook een kostganger in huis, zekere J. P., voor wie de jonge vrouw een zwak had. Toen het jonge echtpaar de kans kreeg een eigen huis te betrekken weigerde zij haar ouderlijke woning te verlaten. Deze omstandigheid o.a. zorgde voor een breuk tussen de echtelieden, die resulteerde in een scheidingsprocedure.

De omgang van Martha met de kostganger had evenwel gevolgen. De vrouw vreesde, dat de geboorte van het kind haar standpunt in de echtscheidingszaak sterk zou verzwakken, wellicht met het gevolg, dat het kind uit haar huwelijk, van wie zij veel houdt, dan aan haar ex-man zou worden toegewezen. Deze angst moet haar er toe gedreven hebben min of meer mee te gaan met plannen van P., die voorstelde, dat men de boreling zo snel mogelijk zou laten verdwijnen.

Over haar aanstaande moederschap heeft Martha T. zich dan ook in haar directe omgeving zeer geheimzinnig gedragen. Het is evenwel niet duidelijk geworden in hoeverre haar ouders van de op handen zijnde gebeurtenis op de hoogte zijn geweest. Volgens hun zeggen werden zij door de geboorte overrompeld en was het alsof zij een klap in het gezicht kregen.

De bevalling vond plaats op 21 maart van het vorig jaar, terwijl de ouders van Martha naar Zwaagwesteinde waren. Zonder hulp van een arts of een vroedvrouw, slechts geassisteerd door de kostganger P., bracht Martha haar zoontje ter wereld. Niet lang hierna arriveerden haar vader en moeder en de toestand in huis was uiteraard zeer verward. Wat er precies besproken is valt moeilijk te zeggen. In elk geval verschafte moeder v. d. V. een laken en een paar dekentjes om de baby wat te beschutten tegen de kou: er was immers helemaal geen voorziening op dit gebied getroffen, er waren geen kinderdekentjes en geen babykleertjes in huis!

Ter zitting was sprake van het feit, dat P. het kind onmiddellijk na de geboorte naar een andere kamer heeft gebracht. Hoe dit zich in details heeft afgespeeld is uiteraard evenmin te bepalen. Zeker is, dat P. aan v. d. V. en zijn vrouw heeft voorgesteld, dat zij met de auto naar Amsterdam zouden gaan waar P. een handeltje voor v. d. V. wist. De heer des huizes was echter niet zo in de war — zijn lichamelijke conditie was toentertijd en is nu nog niet goed — dat hij hier op in ging. Op het laatste moment weigerde hij te doen wat P. graag wilde. In plaats van zich toen als pottenkijker te laten verwijderen is hij later met P. in de auto gestapt met de zuigeling bij zich. De mannen zijn naar Amsterdam gereden en hebben op de Archimedesweg aldaar 's nachts geprobeerd een huisdeur te vinden, die zij open konden krijgen om ergens in een trappenhuis het kind kwijt te raken. Op no 52 hadden zij succes. De grootvader heeft daar zijn kleinkind achter de deur neergelegd met een briefje aan het dekentje gespeld waarop de geboortedatum van de kleine was vermeld.

Toen de bewoner van een der flats 's morgens naar beneden ging om het ochtendblad uit de bus te halen hoorde hij het kindje huilen. Hij kwam even later boven — niet met de krant maar met de vondeling. Het kind is in een tehuis opgenomen en geniet — voorzover ons bekend is — een uitstekende gezondheid). Opa en kostganger zijn na hun euveldaad naar Leeuwarden teruggereden.

De trieste affaire is niet geheim gebleven. De wettige echtgenoot van mevrouw T., die gehoord had, dat zijn vrouw in verwachting was, diende bij de Leeuwarder politie een aanklacht in op vermoeden van abortus provocatus, toen hij na enige tijd niets hoorde van een bevalling van zijn vrouw. Het onderzoek liep echter dood, totdat J. P. werd gearresteerd wegens een geval van oplichting. Uit zijn notitieboekje bleek een bladzijde te ontbreken, identiek met het papiertje, dat op de te vondeling gelegde baby te Amsterdam was gevonden. Zo kwam de ware toedracht aan 't licht P., die meer dan eens door de officier in het requisitoir, als de hoofddader, is gekwalificeerd, trad gisteren als getuige op. In verband met andere hem ten laste gelegde feiten — o.a. oplichting ten nadele van een rustend landbouwer te Bolsward — zal t.z.t. als verdachte verschijnen, ook in deze zaak. Hij is ruim veertig jaar en had o.a. aan Martha wijs gemaakt, dat hij over ruime sommen kon beschikken, die hij tijdens de oorlog door zijn hulp aan Joodse onderduikers in handen had gekregen. Dit geld was evenwel in het buitenland in een klooster en een geestelijke, die een deel van het bedrag naar Nederland, naar P., zou smokkelen, was bij het passeren van de grens gepakt. Dies zat P. in geldnood en Martha vroeg — na het vertellen van het romantische verhaal aan een kennis, mej. IJ. Gerritsen — of deze haar zou kunnen helpen met een deel van haar spaargeld. Mej. Gerritsen heeft Martha toen haar spaarbankboekje afgestaan waarna de laatste hiervan ƒ 280 heeft opgenomen. Omdat de officier stelde, dat Martha toentertijd het verhaal van P. als de waarheid heeft geaccepteerd meende hij, dat zij van deze oplichting diende te worden vrijgesproken.

Mr. Kuipers hanteerde in zijn beschuldiging van verdachte aangaande haar rol in het gebeuren art. 256 waarin sprake is van het verlaten van een kind door de moeder. Subs. was haar medeplichtigheid ten laste gelegd.

Over de daad van V. d. V. zei de officier, dat hij niet kon bewijzen, dat deze verdachte wel wist wat er met zijn dochter ophanden was. Ook wilde hij aannemen, dat V .d. V. zichzelf niet meer meester is geweest toen hij van de geboorte vernam. Hij had evenwel kunnen weigeren mee te werken aan het te vondeling leggen, evenals hij had geweigerd zich door P. met een smoesje naar Amsterdam te laten sturen. De medeplichtigheid van de grootmoeder achtte mr. Kuipers niet bewezen. „M.i. is zij moreel niet onschuldig" aldus de magistraat. „Tegenover de politie heeft zij bekend, dat zij wist, dat haar dochter zwanger was — hier heeft zij daar omheen gedraaid. Ik geloof niet, dat ik kan bewijzen, dat zij de textiel gegeven heeft om het te vondeling leggen te steunen. Toen P. zei, dat er geen kleren en lakentjes waren voor het kind heeft zij een laken en dekens gehaald."

In zijn sober maar boeiend pleidooi bestreed mr. Van Krevelen vooral op juridische punten de houdbaarheid van de ten laste gelegde „verlating" van het kind door de moeder. Verlating — aldus meende hij — diende men letterlijk te nemen in dit artikel, in tegenstelling tot de officier, die het in overdrachtelijke zin hanteerde. „Voor het verlaten moet de moeder zich kunnen verplaatsen. Voor haar moet hiervoor de motorische mogelijkheid zijn" aldus betoogde de raadsman, er op wijzend, dat zijn cliënte hiertoe geen mogelijkheid had gehad. Mr. Van Krevelen zei het vreemd te vinden, dat enerzijds een verdachte het te vondeling leggen wordt verweten, anderzijds een tweede verdachte ook het verlaten ten laste wordt gelegd. Het kind is of verlaten of te vondeling gelegd. Het een of ander. Wat Martha's medeplichtigheid betreft wees de verdediger op het ontbreken harerzijds van elke ondersteunende handeling in deze. Hij vroeg zich af of de jonge moeder daadwerkelijk enige handeling heeft verricht waardoor P. in staat werd gesteld de baby te vondeling te leggen. „Zij heeft iets goed gevonden — niet iets ter beschikking gesteld".

Mr. Van Krevelen bepleitte vrijspraak, evenals hij dat deed in de zaak tegen T. v. d. V.—de V. Voor V. d. V. vroeg hij clementie, gelet op de grote kans, dat de man zijn baan bij de PTT en zijn pensioen zal verliezen. De raadsman zag V. d. V. als „degeen, die door P. is gebruikt om te doen wat deze wilde." Ik zou P. als mens nog enigszins kunnen respecteren wanneer deze de vuile was zelf had opgeknapt" aldus de raadsman. „V. d. V .is in principe strafbaar. Hij zou een gevangenisstraf wel te boven komen, maar ik zie naar de toekomst. De straf, die u hem wellicht oplegt is in mijn ogen licht vergeleken bij de tijd, die hij nog tegemoet gaat."

De raadsman verzocht een psychiatrisch rapport over zijn cliënt en diens invrijheidsstelling zolang dit rapport in bewerking was. De verzoeken om invrijheidsstelling voor moeder en dochter grondde hij op beider onschuld. De rechtbank zal over veertien dagen in de drie zaken uitspraak doen.

 

De Tijd De Maasbode, 8 januari 1959: "Baby te Amsterdam te vondeling gelegd - Officier van justitie eist tegen de moeder een jaar"

De rechtbank te Leeuwarden heeft gisteren met gesloten deuren de zaak behandeld tegen een drietal verdachten, die betrokken zijn geweest bij het te vondeling leggen van een baby te Amsterdam in de nacht van 21 maart 1958. Terecht stonden de moeder van het kind en haar ouders, allen uit Leeuwarden. Een vierde 45-jarige verdachte in deze zaak, zal later terecht staan, omdat hem nog andere zaken ten laste zijn gelegd. De moeder van de baby stond terecht wegens het afgeven van haar kind aan laatstgenoemde verdachte en aan haar vader. De grootmoeder van de baby werd er van beschuldigd lakens en een dekentje te hebben verstrekt voor de vondeling. Haar man stond terecht omdat hij het kind samen met de 45-jarige verdachte te vondeling had gelegd. De officier van justitie eiste tegen de moeder een jaar met aftrek. De grootvader van het kind hoorde negen maanden met aftrek tegen zich eisen. Wat de grootmoeder betreft vroeg de officier van justitie vrijspraak, omdat zij de lakentjes en het dekentje had verstrekt voordat zij vist van de plannen om het kind te vondeling te leggen.

 

De Telegraaf, 8 januari 1959: "Ene kind verstoten uit liefde voor ander kind - Moeder liet haar kind te vondeling leggen - Achtergelaten op geboortedag"

(Van onze rechtbankverslaggever) LEEUWARDEN, donderdag. "Je kunt het kind niet houden, geef het maar aan mij mee, dan breng ik het wel weg." Die woorden van haar vriend waren voor een jonge moeder Martha T.—v.d. V. (25) uit Leeuwarden, voldoende geweest om haar pasgeboren baby af te geven. Amper een uur na de geboorte werd het kind, midden in de nacht, door twee mannen per auto naar Amsterdam gebracht, waar het te vondeling werd gelegd in een trapportaal aan de Archimedesweg.

Een bewoner vond het daar en deed aangifte. De baby, een jongetje, werd voorlopig in een ziekenhuis ondergebracht. Dat was in maart 1953. Een kind te vondeling leggen is een misdrijf, waar een maximumstraf van 4½ jaar op staat, als het de ouders betreft zelfs zes jaar. Het komt tegenwoordig nog maar zelden voor. Nog zeldzamer is, dat het uitkomt en dat de daders worden achterhaald. In dit geval had de politie reeds lange tijd vermoedens gekoesterd, maar het ontbrak aan ook maar enig bewijs. Totdat men door een toeval een aanknopingspunt kreeg, waardoor de betrokkenen ten slotte, in december, door de knieën gingen.

Drie figuren stonden nu in de verdachtenbank. De vrouw Martha, stug en koel, en haar beide ouders, kleine gebroken mensjes, de PTT-beambte T. v. d. V. (48) en zijn vrouw Trijntje v. d. V. (49). Tegen Martha werd een jaar met aftrek geëist, tegen haar vader negen maanden. Haar moeder kwam met de schrik (en het voorarrest) vrij- Zij hoorde vrijspraak eisen en werd na de zitting onmiddellijk in vrijheid gesteld. Er was nog een vierde betrokkene, namelijk de eveneens gedetineerde Jan P., de vriend van Martha. die als de hoofddader en de aanstichter werd beschouwd. Omdat deze nog meer op zijn kerfstok heeft dan zijn aandeel in het drama rond dit kind (o.a. een oplichting à 30 mille), werd hij thans nog niet berecht, maar alleen als getuige gehoord.

P., 19 jaar ouder dan Martha, een man met een crimineel verleden (zo'n 15 jaar aan vonnissen) maar ondanks zijn slungelige gestalte en reeds kalend hoofd, zeer succesvol bij vrouwen, was de fatale figuur in deze zaak. De achtergrond van alles was huwelijksmisère. Martha woonde reeds geruime tijd niet meer samen met haar echtgenoot, een jonge reclame-ontwerper. Zij was bij haar ouders in huis en had omgang met P. die als kostganger eveneens bij haar ouders verbleef. De jonge vrouw had gehandeld uit vrees, dat de geboorte van een kind haar wettige man grond zou verschaffen tot echtscheiding, waarnaar deze al enige tijd vergeefs streefde. Vooral was zij beangst, dat haar daarmee dan ook het 8-jarige dochtertje uit haar wettig huwelijk, van wie zij veel hield, zou worden ontnomen en dat dit aan haar man zou worden toegewezen.

Uit liefde voor het ene kind verstootte zij het andere en liet toe, dat P. de jonggeborene bij haar wegnam, om het samen met haar vader, naar Amsterdam te brengen en het in een trapportaal aan kou en gevaar en aan het toeval prijs te geven. Was dit plan, om met z'n vieren grote mensen een klein kind te verdonkeremanen, van tevoren bekokstoofd? Was er in den huize v. d. V. reeds langs vóór Martha's bevalling krijgsraad gehouden, om te overleggen hoe men het best van de baby, die zoveel complicaties mee zou brengen, af kon komen? De officier van Justitie, mr. H. W. Kuipers, twijfelde er niet aan, al beweerden de ouders van Martha thans, dat er geen plan had bestaan, ja, zelfs, dat zij niet op de hoogte waren dat hun dochter een kind verwachtte

Tegenover de omgeving waren Martha's omstandigheden angstvallig geheim gehouden, evenals de geboorte zelf. Er was geen dokter en ook geen vroedvrouw gehaald. De kostganger verleende hulp „Deze jonge vrouw heeft enorme risico's genomen en zowel het leven van haar kind als haar eigen leven in groot gevaar gebracht." aldus de Officier Mr. Kuipers was geschokt dooide onverschilligheid, die deze moeder jegens haar kind had betoond en door haar toestemming om een hulpeloos schepsel moedwillig te verlaten en aan gevaar te doen blootstellen. Dat zijn cis toch mild uitviel was. omdat de Officier rekening wilde houden met haar moeilijke positie in verband met een mogelijke scheidingsprocedure. alsmede met de kwade invloed, die P. op de verdachte had uitgeoefend.

In zijn nuchter, maar ook zeer menselijk pleidooi ging de verdediger, mr. P. E. van Krevelen, ervan uit, dat Martha haar omstandigheden ook voor de ouders geheim had weten te houden, mede doordat er uiterlijk weinig of niets aan haar was te zien geweest. Hierin gesteund door Kaar vriend P., had de jonge vrouw meermalen met klem ontkend, dat zij een baby verwachtte. De raadsman schetste dramatische avond en nacht in maart. De ouders waren vrij laat thuisgekomen van een visite en ontdekten toen dat er een baby was geboren. P. had nog getracht hen met een smoesje het huis weer uit te krijgen, maar dit was niet gelukt. In zijn verwarring had de ontstelde vader zich daarop door P. laten overhalen mee te gaan om het kind weg te brengen. Zo schetste mr. Van Krevelen de gang van zaken. Hij vroeg voor de toch reeds geknakte man, die kans liep nu ook nog zijn betrekking en zijn pensioen te verliezen, de uiterste clementie.

Voor Martha verzocht de raadsman vrijspraak op juridische gronden. Hij noemde haar houding zeer laakbaar, maar vond dat het ten laste gelegde — verlating — op haar passief gedrag niet van toepassing kon zijn. Voor de moeder van Martha was reeds vrijspraak gevraagd Haar was aangewreven, dat zij bij het te vondeling leggen behulpzaam was geweest door een laken en een stuk van een deken beschikbaar te stellen voor de baby voor wie geen luiers, lijfgoed of wat dan ook was aangeschaft. De verdediger vroeg voor alle drie verdachten onmiddellijke invrijheidstelling hetgeen de rechtbank, onder presidium van mr. H. J. van Maanen, alleen voor de moeder toestond. Op 21 januari zal de rechtbank over deze zaak, die deels met gesloten deuren werd behandeld beslissen.

 

Nieuwsblad van het Noorden, 8 januari 1959: "De „vondeling” zaak Verdediger vraagt vrijspraak"

De verdediger mr. P. E. van Krevelen vroeg gistermiddag vrijspraak voor de moeder, waarvan een baby te A'dam te vondeling werd gelegd. Gistermiddag brachten we reeds het verslag van deze zaak, die de Leeuwarder rechtbank behandelde. De raadsman achtte het onjuist dat de moeder het verlaten van haar zoon ten laste was gelegd, omdat zij daar motorisch niet toe in staat was. Bovendien was zij in voorlopige hechtenis gehouden op grond van poging tot doodslag; de officier had haar aanvankelijk verweten dat zij haar pas geboren kind na de bevalling wilde doden, maar dit was mislukt omdat Jan P. het kind zou hebben „weggerukt". Wanneer men iemand eerst vasthoudt op grond van een poging tot doodslag, die verhinderd werd doordat Jan P. het kind wegrukte, aldus de raadsman, kan men later niet het verlaten van het kind ten laste leggen. Voor de ouders van Martha P. vroeg de raadsman eveneens vrijspraak, z.i. zou de vader onder invloed van Jan P. hebben gehandeld en toen hem dit plotseling grootvader worden overrompelde, was hij in paniek geraakt. Hij vroeg voor alle verdachten onmiddellijke invrijheidsstelling welke door de rechtbank alleen ten aanzien van Trijntje de V. werd ingewilligd. In de andere zaken zal de rechtbank over veertien dagen uitspraak doen.

 

Friese Koerier, 8 januari 1959: "De „vondeling” zaak Verdediger vraagt vrijspraak"

LEEUWARDEN - Drie verdachten hadden zich gisteren voor de onder presidium van mr. H. J. van Maanen staande Leeuwarder rechtbank te verantwoorden voor hun aandeel in het te vondeling leggen van een baby in het trapportaal van een pand aan de Archimedesweg te Amsterdam. Het waren de moeder van de baby, de 25-jarige Martha S.J. T.-van der V. en haar ouders, de 48-jarige P.T.T.-monteur J. van der V. en de 49-jarige Tr. van der V.-de V. Allen zijn gedetineerd sedert 4 december j.1., de dag, waarop de hoofddader in deze zaak, de 43-jarige J. P. door de Leeuwarder recherche tot de bekentenis werd gebracht, dat hij tezamen met Van der V. de baby naar Amsterdam had gebracht, na het kind bij de moeder te hebben weggehaald.

Dit gebeurde op de avond van de dag, dat de kleine werd geboren 21 maart 1958. Het kind werd in een lakentje en een stuk van de deken gewikkeld en nog dezelfde nacht te vondeling gelegd. De subs.-officier, mr. H. W. Kuipers eiste milde straffen, waarbij hij rekening hield met de impasse, waarin Martha door een echtscheidingsprocedure was geraakt en met het feit, dat J. P. in deze hele affaire als de kwade genius moet worden beschouwd. In verband met de achtergrond van deze zaak werden getuigen en verdachten in een zitting met gesloten deuren aan een verhoor onderworpen; requisitoir en pleidooi zijn in het openbaar gehouden.

Zowel de officier, als de verdediger, mr. P. E. van Krevelen, hebben er geen twijfel over laten bestaan, dat genoemde J. P. de kwade genius in deze zaak is. Deze ex-politieke delinquent, bezitter van een lang strafblad, „opereerde" verleden jaar in Friesland, waar hij o.m. een veehouder in de buurt van Bolsward oplichtte voor een bedrag van meer dan ƒ30.000. In augustus werd P. voor dit feit gearresteerd en de Leeuwarder recherche heeft nadien uitvoerig handel en wandel van P. nagegaan.

Deze was in 1957 in de kost gekomen bij de familie Van der V., waar ook het echtpaar T. inwoonde. Juist in die tijd werd de heer T. een woning toegewezen; hij betrok die, doch zijn vrouw weigerde de ouderlijke woning t« verlaten. Zij bleek toen reeds onder de invloed wan P. te staan, met wie ze later een verhouding had. De heer T. had intussen een eis tot echtscheiding ingediend, doch de vrouw weigerde medewerking. In die periode bleek, dat ze in verwachting was en uit angst voor de gevolgen van de komst van een kind — mogelijk een doorslag gevende reden voor echtscheiding en verlies van haar dochtertje van 8 jaar — heeft de jonge vrouw toen samen met de veel oudere P. plannen beraamd om het kind direct na de geboorte te doen verdwijnen. Toen T., die van buren had gehoord dat zijn vrouw zwanger was, nimmer hoorde van het aangeven van een geboorte, waarschuwde hij de politie, doch deze kon geen bewijzen vinden voor de beweringen van T. Totdat verscheidene maanden later tijdens een nieuw verhoor van de gedetineerde P. een zakagenda werd gevonden, waaruit een bladzijde ontbrak van een dag, waarop vaststond dat P. in Amsterdam was geweest. Het onderzoek bracht toen aan het licht, dat het vermiste blaadje, beschreven met dezelfde groene inkt, waarmee vele aantekeningen in de agenda waren gemaakt, gevonden was in een dekentje, dat een in Amsterdam te vondeling gelegde baby had omhuld. Men voelde P. nog eens goed aan de tand en al gauw kwam toen het verhaal los over hetgeen zich in de woning van de familie Van der V. had afgespeeld.

Mr. Kuipers wees er In zijn uitvoerig requisitoir op, dat men hier te maken heeft met een, in tegenstelling tot vroeger tegenwoordig gelukkig weinig meer voorkomend misdrijf. Dat het te vondeling leggen van een kind de bedrijvers door de strafwetgever zwaar wordt aangerekend, blijkt uit het feit, dat er een maximumstraf op is gesteld van vier jaar en zes maanden. Voor het hier gepleegde misdrijf is in hoofdzaak J. P. verantwoordelijk. Dat deze nu nog niet vervolgd wordt, spruit voort uit het feit, dat het onderzoek in verscheidene vermogensdelicten waarbij P. is betrokken, nog niet is afgesloten. De drie verdachten, die medewerkten aan dit misdrijf, hebben echter ook ernstig gefaald. Zij immers hebben eraan meegewerkt, dat een kind, dat zichzelf niet kan helpen, in een toestand werd gebracht, waarin het zeer reëel levensgevaar liep. Het was immers helemaal niet uitgesloten, dat de bewoners, in wier Portiek de kleine is gelegd, niet thuis waren geweest. Wat de rol van Martha T.-v. d. V. betreft, meende mr. Kuipers, dat zij schuldig is aan overtreding van art 256 W. v. S. het moedwillig verlaten van een kind. Zij heeft vermoedelijk uit angst voor de echtscheidingsprocedure, vóóraf met P. Plannen beraamd om het te verwachten kind direct na de geboorte te laten verdwijnen. Zij hield de zwangerschap angstvallig geheim, zelfs voor haar ouders, maakte geen babykleertjes en waarschuwde geen vroedvrouw of arts. Welbewust nam zij enorme risico's op zich. Overigens vroeg spr. zich af of de moeder van Martha wel zo onkundig van het feit was Het is volgens mr. Kuipers niet helemaal duidelijk wat zich na de geboorte heeft afgespeeld. Er schijnt in de woning door de schrik van de Van der V.'s over te verwachten complicaties grote verwarring te zijn ontstaan. P. heeft toen blijkbaar gezegd: „Ze kan het kind niet houden, ik red me er wel mee." En de jonge vrouw heeft zonder meer toegestemd en goedgevonden, dat het kind werd meegenomen. Aan de hand van uitspraken van de Hoge Raad concludeerde spr. dat deze handelwijze gelijk gesteld kan worden aan moedwillig verlaten. Mocht de rechtbank hierin niet meegaan, dan wenste spr. medeplichtigheid aan het te vondeling leggen bewezen te zien. Het vinden van de juiste strafmaat is hier volgens spr. niet gemakkelijk. Hij eiste tegen Martha T. een jaar gevangenisstraf met aftrek van voorarrest. Daarbij had sPr. rekening gehouden met het feit, dat zij „er erg tussen had gezeten", hetgeen niet wegneemt dat zij in iets heeft toegestemd dat volkomen strijdt met het moederschap; zij heeft haar eigen belang wel zeer sterk laten voorgaan bij het belang van haar hulpeloze kind.

De vader van Martha heeft P. geholpen bij het wegbrengen van het kind naar Amsterdam en maakte zich daarmee tot mede-dader. Hij heeft met valse sleutels geprobeerd deuren in de Archimedesstraat te openen en dat is vermoedelijk gelukt op no. 52; het kan ook zijn dat deze deur heeft „aan" gestaan. Vervolgens heeft v. d. V. het kind neergelegd; P. wachtte in de auto. De man beweert door de geboorte zo volkomen verrast te zijn dat hij zichzelf niet meer meester was en onmiddellijk op het voorstel van P. om het kind weg te brengen, inging. Waarom weigerde hij niet, zoals hij kort tevoren had geweigerd mi te gaan op een voorstel van P. — die „de oude lui weg wilde hebben" — om een plezierritje naar Amsterdam te maken. Dat hij zo gemakkelijk met P. meehandelde, stempelt v. d. V. tot medeplichtige. Mr. Kuipers wilde dit bestraft zien met negen maanden met aftrek. Vast staat, dat Martha's moeder Fr. v. d. V. een lakentje en een stuk deken voor bedekking van het kind beschikbaar heeft gesteld. Nu de vrouw echter ontkent dat zij toen niet wist dat het kind te vondeling zou worden gelegd en het tegendeel niet valt te bewijzen vroeg spr. voor de grootmoeder vrijspraak.

Mr. van Krevelen merkte op, dat men hier te maken heeft met een uiterst onprettig complex van feiten. Pleiter meent, dat móet worden aangenomen, dat Martha haar zwangerschap voor iedereen, behalve voor P., angstvallig heeft verzwegen. De bevalling had plaats toen haar ouders een reisje naar Zwaagwesteinde maakten. Zij keerden te vroeg terug en P. probeerde Van der V. toen te bewegen ƒ 100 van hem aan te nemen en nog een plezierrit naar Amsterdam te maken. Van der V. weigerde en kort daarop ontstond de verwarrende situatie aan het kraambed. Deze hele affaire „kwam de familie over het mot" en voor Van der V. was het of kreeg hij een klap in het gezicht.

Van de moeder mag worden aangenomen, dat zij niets van de plannen om het kind weg te brengen, wist. Zij gaf laken en deken, alleen om de kleine warm te houden. De officier legt Martha „verlaten van het kind met het oogmerk er zich van te ontdoen" ten laste. Pleiter was het hiermee niet eens en beriep zich op hetzelfde arrest van de Hoge Raad als mr. Kuipers, waarin staat, dat „verlaten" wil zeggen: het kind ergens heenbrengen en het dan aan zijn lot overlaten. Bij verlaten zal de moeder zich moeten kunnen verplaatsen en dat was hier zeer beslist niet het geval. Pleiter wees erop, dat Martha het eerst met P. eens was geweest, dat de baby weg moest, doch toen de bevalling eenmaal achter de rug was, dacht ze: „Och, die baby is er nu en die moet ik maar houden". Uit de verklaring van P. blijkt niet, dat zij hem het kind gegeven heeft om het weg te brengen. P. zegt zelf, dat hij het heeft gepakt. Het is dan ook zeer de vraag of de vrouw daadwerkelijk aan het misdrijf heeft meegewerkt. P. is de hoofddader; de man ook, die zijn vuile was niet eens zelf opknapte, doch Van der V. erbij betrok en deze notabene ook nog het kind te vondeling liet leggen. Van der V. heeft psychisch een zware terugslag van deze zaak ontvangen; bovendien dreigt hij zijn baan en zijn pensioenrechten te verliezen, hetgeen een zeer zware bijkomstige straf zou zijn. De conclusie van mr. Van Krevelen was: uiterste clementie voor J. v. d. V., vrijspraak op juridische gronden voor Martha en vrijspraak zonder meer voor haar moeder. Pleiter verzocht een psychiatrisch en een reclasseringsrapport over Van der V. te doen uitbrengen en de verd. gedurende dit onderzoek op vrije voeten te stellen. Ook voor de beide vrouwen vroeg pleiter onmiddellijke invrijheidstelling. Na in raadkamer te zijn geweest, besliste de rechtbank gunstig ten opzichte van Trijntje van der V. die onmiddellijk in vrijheid werd gesteld. Voor de beide andere verd. werd nog geen reden tot vrijlating aanwezig geacht.
Uitspraak in alle zaken woensdag 21 januari.

 

Het Vrije Volk, 8 januari 1959: "Friezen legden baby in Amsterdam te vondeling - Moeder hoort jaar eisen, grootvader negen maanden"

(Van een onzer verslaggevers) Op de vroege morgen van de 21ste maart van het vorige jaar vond een bewoner van de Archimedesweg in Amsterdam bij het verlaten van zijn huis een enkele uren oude baby in zijn portiek. Het kindje was er te vondeling gelegd. Gisteren stonden de jonge moeder en haar ouders voor de rechtbank te Leeuwarden terecht. Na een urenlange zitting achter gesloten deuren vroeg de officier van Justitie een jaar gevangenisstraf met aftrek voor de moeder, de 25-jarige Martha T.-van der V., negen maanden met aftrek voor de grootvader, de 48-jarige monteur bij PTT Jan van der V. en vrijspraak voor de grootmoeder, de 49-jarige Trijntje Van der V.-De V., alle drie uit Leeuwarden.

De grootmoeder van het te vondeling gelegde kindje werd op verzoek van de verdediger onmiddellijk in vrijheid gesteld. Een dergelijk verzoek voor de beide andere verdachten wees de rechtbank af. Voor alle drie zal over veertien dagen de uitspraak volgen. Nog niet terechtstond de man die volgens de officier van Justitie, en de verdediger. de hoofddader is in deze trieste affaire: de 48-jarige vertegenwoordiger Jan P., eveneens uit Leeuwarden, die waarschijnlijk de vader van het kindje is en het samen met de grootvader te vondeling zou hebben gelegd. Hij zal zich later voor dit feit moeten verantwoorden, wanneer ook een hem ten laste gelegde oplichting van rond dertigduizend gulden ten nadele van een boer bij Bolsward door de -rechtbank wordt behandeld. "Waarschijnlijk zou het te vondeling leggen — een in ons land gelukkig zelden voorkomend misdrijf — nooit zijn opgelost, wanneer de voor andere delicten gearresteerde Jan P. de politie er niet over had ingelicht.

P. woonde nog twee jaar geleden bij het echtpaar Van der V. in en zou omgang hebben gehad met de getrouwde dochter, die op het punt stond te scheiden van haar man. Toen de vrouw in verwachting raakte zou ze met P. hebben afgesproken deze zwangerschap voor de buitenwereld verborgen te houden en. het kind t.z.t. op de een of andere manier kwijt te raken. Op de avond van de geboorte trachtte de nog steeds bij het echtpaar Van der V. inwonende P. eerst de ouders van de vrouw met een zoet lijntje de deur uit te krijgen. Maar dat lukte niet. Toen de niets vermoedende Van der V. van de geboorte hoorde, zou hij besloten hebben het kind samen met P. te vondeling te leggen.

Ze reden ermee naar Amsterdam en moeten het kind daar in de portiek van een huis aan de Archimedesweg hebben neergelegd na eerst tevergeefs getracht te hebben verschillende huisdeuren open te krijgen. De officier van Justitie, mr. M. H. Kuipers, had de moeder ten laste gelegd dat zij het kind aan J. P. heeft meegegeven, de grootvader dat hij het kind te. vondeling heeft gelegd en de grootmoeder dat zij bij het te vondeling leggen behulpzaam is geweest. De officier sprak in zijn requisitoir van de gevaren waaraan het kindje werd blootgesteld toen het in de tochtige portiek werd neergelegd, maar zei rekening te willen houden met de moeilijke positie, waarin de moeder zich bevond. Door de te verwachten echtscheiding immers zou haar dochtertje van acht jaar wellicht aan haar man toegewezen kunnen worden, wanneer de geboorte van het kindje bekend werd. Om haar dochtertje te behouden zou ze besloten hebben de baby weg te doen. Bij het bepalen van de strafmaat voor de grootvader wilde de officier rekening houden met de rol van J. P., van wie het initiatief zou zijn uitgegaan.

Voor de grootmoeder kon de officier niet bewijzen, dat zij aan het plan heeft meegewerkt, terwijl ze wist, dat het kindje te vondeling zou worden gelegd. De verdediger van alle drie verdachten, mr. P. E. van Krevelen uit Leeuwarden, vroeg vrijspraak en onmiddellijke invrijheidstelling voor de moeder en de grootmoeder. Hij meende, dat er in dit geval geen sprake was van het verlaten door de moeder van het kind. In verband met de psychische toestand van de grootvader verzocht hij de rechtbank ook hem onmiddellijk in vrijheid te stellen om daarna een psychiatrisch rapport in te winnen.

 

Leeuwarder courant, 21 januari 1959: "Verontwaardiging op de publiek tribune - Moeder van de te vondeling gelegde baby vrijgesproken"

De Leeuwarder rechtbank heeft vanmorgen uitspraak gedaan in de zaak van de te vondeling gelegde baby. De moeder en de grootmoeder van het kindje werden vrijgesproken. De grootvader werd veroordeeld.

De moeder, de 25-jarige M.S.J.T. v. d. V., tegen wie wegens medeplichtigheid een straf was geëist van een jaar met aftrek van het voorarrest (anderhalve maand) werd vrijgesproken omdat — naar in de overwegingen verluidde — zij wel erkende, dat voor de geboorte van het kind een afspraak was gemaakt om het kind door de kostganger P. uit de woning en de omgeving te doen verwijderen, maar dat zij ontkende, dat na de geboorte nog enige afspraak of overleg, waarbij zij betrokken is geweest, heeft plaats gevonden. Zij heeft volgehouden, dat — toen het kind eenmaal geboren was — zij het wel wilde houden en dat ook tegen P. heeft gezegd. Ook heeft zij volgehouden, dat P. het kind heeft weggenomen zonder haar daar in te kennen en dat zij pas gewaar werd wat er met de baby was gebeurd toen de zuigeling al te vondeling was gelegd.

Van de haar ten laste gelegde oplichting werd zij vrijgesproken, omdat uit de verklaring van de getuige, haar schoonzuster, bleek, dat deze haar spaarbankboekje aan verdachte had afgestaan omdat zij er haar schoonzuster mee geriefde en niet omdat verdachte een verhaal over P.'s financiële mogelijkheden had verteld. Ook zou verdachte zich toen niet bewust zijn geweest onwaarheden te hebben verteld. Toen de president haar vrijspraak bekend maakte en haar onmiddellijke invrijheidsstelling gelastte ging er op de publieke tribune een verontwaardigd gemompel op.

De grootvader van het kind, de 48-jarige PTT-monteur J. v.d. V., werd wegens het te vondeling leggen van de baby in maart j.l. in een trappenhuis van een flat aan de Amsterdamse Archimedesweg veroordeeld tot zes maanden met aftrek. Tegen hem was negen maanden met aftrek geëist. Conform de eis werd zijn vrouw, de 49-jarige T. v.d. V.-de V. vrijgesproken van de haar ten laste gelegde medeplichtigheid (het beschikbaar stellen van dekens en een lakentje). P., die ter zitting indertijd meermalen de hoofdschuldige is genoemd, zal later terecht staan omdat tegen hem nog andere strafzaken lopen. In de thans berechte zaken heeft hij als getuige gefungeerd.

 

De Tijd De Maasbode, 21 januari 1959: "De te vondeling gelegde baby - Moeder vrijgesproken"

De Leeuwarder rechtbank heeft uitspraak gedaan In de zaak van de 21 maart 1958 te Amsterdam te vondeling gelegde baby. De moeder van de baby, tegen wie de officier van justitie een jaar met aftrek had geëist, werd door de rechtbank vrijgesproken. Haar was ten laste gelegd, dat zij haar pasgeboren zoontje, Bernardus, aan de natuurlijke vader en aan haar vader had meegegeven om het kind te vondeling te leggen. De rechtbank achtte wel bewezen, dat voor de geboorte al afspraken waren gemaakt om het kind te laten verdwijnen, maar niet, dat na de geboorte de moeder heeft ingestemd met het te vondeling leggen. De natuurlijke vader van het kind heeft weliswaar verklaard, dat hij het kind bij de moeder heeft weggenomen omdat zij het kind wilde doden, maar op grond van zijn onbetrouwbaarheid kon de rechtbank deze verklaring niet als bewezen accepteren.

De vader van de vrouw werd ervan beschuldigd het kind tezamen met de vader te vondeling te hebben gelegd Tegen hem was negen maanden geëist. Het vonnis van de rechtbank luidde zes maanden. De grootmoeder van de baby, die ervan was beschuldigd lakentjes en een dekentje voor het kind te hebben meegegeven, werd vrijgesproken, aangezien de rechtbank, gelet op de drijfveer tot deze daad, dit niet als een strafbaar feit beschouwde.

 

Nieuwsblad van het Noorden, 21 januari 1959: "Rechtbank Leeuwarden - Vrijspraak voor moeder van te vondeling gelegde baby"

De Leeuwarder Rechtbank sprak vanmorgen de 25-jarige Martha J.T. van der V. te Leeuwarden vrij van de haar ten laste gelegde medeplichtigheid aan het te vondeling leggen van haar pasgeboren kind te Amsterdam. De eis was 1 jaar met aftrek.

De rechtbank overwoog bij haar vrijspraak, dat de verdachte wel voor de geboorte van haar kind een afspraak had gemaakt met de vader Jan P. uit Leeuwarden, dat het kind zou moeten verdwijnen, maar dat zij er niet mee had ingestemd, dat haar kind na de geboorte van haart1 werd weggenomen. Wel had Jan P. verklaard, dat hij het kind van haar had weggenomen, omdat Martha het kind wilde doden, doch in dezen stond de verklaring van Jan P. geheel alleen.

De grootvader van het kind, de 48-jarige monteur Jan van der V. te Leeuwarden werd wegens het te vondeling leggen van het kind veroordeeld tot 6 maanden gevangenisstraf met aftrek. De eis was 9 maanden met aftrek. Zijn vrouw, de 49-jarige Trijntje van der V.—De V., werd conform de eis vrijgesproken. Haar was het geven van een lakentje en dekentje voor het vervoer naar Amsterdam ten laste gelegd.

 

Friese Koerier, 21 januari 1959: "Moeder van te vondeling gelegde baby door rechtbank vrijgesproken"

LEEUWARDEN - Vanmorgen heeft de rechtbank te Leeuwarden het vonnis uitgesproken tegen de verdachten in de zaak van de in maart van 1958 in de Archimedesstraat te Amsterdam te vondeling gelegde baby. Veertien dagen geleden stonden hiervoor terecht de moeder van het kind, de 25-jarige Martha S.J.T. van der V., onder beschuldiging van het moedwillig verlaten van haar pasgeboren kind, de vader van deze verdachte, de 48-jarige PTT-monteur Jan van der V., die het kind te vondeling legde en zijn echtgenote, de 49-jarige Trijntje van der V.-de V.

De hoofddader, de 45-jarige J. P., die als de kwade genius in deze hele zaak moet worden beschouwd en die tezamen met Martha van der V., met wie hij heeft samengeleefd, het plan voor het te vondeling leggen van het ongewenste (in verband met een echtscheidingsprocedure) kind heeft opgezet, stond nog niet terecht. Tegen Martha van der V. eiste de officier van justitie, mr. H.W. Kuipers, een jaar gevangenisstraf met aftrek van voorarrest, tegen Jan van der V. negen maanden met aftrek en tegen zijn echtgenote vrijspraak, omdat niet is komen vast te staan, dat zij toen ze bedekking voor de baby afstond, heeft geweten dat deze te vondeling zou worden gelegd.

De rechtbank sprak Martha T.-van der V. vrij van het haar ten laste gelegde. Haar vader Jan van der V. werd tot 6 maanden gevangenisstraf met aftrek veroordeeld. Zijn echtgenote werd vrijgesproken. 

 

Het Vrije Volk, 21 januari 1959: "Kind te vondeling - Vrijspraak voor moeder en grootmoeder"

(Van een onzer verslaggevers) De rechtbank te Leeuwarden heeft woensdagmorgen uitspraak gedaan in de zaak van het te vondeling gelegde kindje in Amsterdam. Van de drie verdachten, die twee weken geleden terechtstonden, werd alleen de grootvader van het te vondeling gelegde kind, de achtenveertigjarige monteur van de PTT Jan van der V. veroordeeld. Samen met zijn kostganger, Jan P. heeft hij in maart van het vorige jaar de pasgeboren baby van zijn dochter in een portiek van een huis aan de Archimedesweg gelegd. Hij kreeg zes maanden gevangenisstraf met aftrek van voorarrest. Er was negen maanden tegen hem geëist.

De beide andere verdachten, de moeder van de baby, Martha T.—van der V., vijfentwintig jaar en de grootmoeder, Trijntje van der V.—de V., negenenveertig jaar, werden vrijgesproken van de hun ten laste gelegde medeplichtigheid aan het te vondeling leggen. Voor de grootmoeder was twee weken geleden ook al vrijspraak gevraagd. Tegen de moeder eiste de officier van Justitie een jaar gevangenisstraf. In het vonnis van de moeder overweegt de rechtbank, dat Martha T.— van der V. het kind na de geboorte wel wilde houden, maar dat het door de kostganger Jan P., zonder er haar verder in te kennen, van haar is weggenomen en blijkbaar naar een andere kamer is gebracht. Daarna zou zij over het lot van het kind pas zijn ingelicht, toen het al naar Amsterdam was gebracht. Op de publieke tribune ging een verontwaardigd gemompel op, toen de president van de rechtbank, mr. H.J. van Maanen de uitspraken bekendmaakte. De kostganger, Jan P., waarschijnlijk de vader van het te vondeling gelegde kind, zal later nog terecht moeten staan. Hij wordt ook verdacht van het oplichten van een boer bij Bolsward voor een dikke dertigduizend gulden.

 

De Waarheid, 22 januari 1959: "Moeder vondeling vrijgesproken"

De moeder van de baby, die vorig jaar maart te vondeling werd gelegd op de Archimedesweg te Amsterdam, is vrijgesproken. Twee weken geleden had de Officier van de Leeuwarder rechtbank nog twee weken tegen haar geëist, maar de rechters achtten de opzet bij de vrouw niet bewezen. Haar vader werd wel veroordeeld tot een half jaar, terwijl de vader van de baby binnenkort als hoofdschuldige terecht zal staan.

 

De Telegraaf, 22 januari 1959: "Leeuwarder rechtbank beslist: moeder vrij, die kind te vondeling legde"

(Van onze correspondent) LEEUWARDEN, woensdag. De Leeuwarder rechtbank heeft woensdagochtend de 25-jarige Martha T.—v. d. V. vrijgesproken van het haar ten laste gelegde moedwillig verlaten van haar pasgeboren baby. De officier van Justitie had tegen haar een gevangenisstraf van een jaar met aftrek van voorarrest gevorderd.

Het betreft hier de zaak van de in de nacht van vrijdag 21 maart 1958 in een pand aan de Archimedesweg te Amsterdam te vondeling gelegde baby. Aan de jonge vrouw was ten laste gelegd, dat zij te zamen met de 45-jarige Jan P. — die nog niet is berecht, omdat er een onderzoek wegens oplichting tegen hem gaande is — het plan had beraamd om de baby direct na de geboorte weg te werken. Deze afspraak was reeds maanden voor 21 maart gemaakt. De verklaring van P., dat ook na de geboorte een afspraak tot wegwerken van het kind werd gemaakt, wordt ten stelligste tegengesproken door die van de drie verdachten. De rechtbank acht deze verklaringen betrouwbaarder dan die van P. Het college overwoog, dat de vrouw na de geboorte het kind wel heeft willen behouden, doch hiertoe niet in staat is geweest, omdat P. de baby bij haar wegnam. Moedwillige verlating acht de rechtbank niet bewezen, reden waarom zij Maria T.—v. d. V. vrijsprak en bevel gaf tot haar onmiddellijke invrijheidstelling.
De vader van de jonge vrouw, de 48-jarige monteur J. v. d. V., die samen met P. het kind naar Amsterdam heeft gebracht en daar te vondeling heeft gelegd, werd veroordeeld tot zes maanden gevangenisstraf, met aftrek van voorarrest. Tegen hem was negen maanden gevangenisstraf geëist. De echtgenote van v. d. V., de 49-jarige T. v. d. V.—de V. is door de rechtbank, overeenkomstig de eis, vrijgesproken.

 

Friese Koerier, 22 januari 1959: "Rechtbank Leeuwarden - Gronden voor vrijspraak in zaak Martha v.d. V."

LEEUWARDEN - Zoals we gisteren reeds meldden, is de 25-jarige Martha S. T.-Van der V. door de rechtbank vrijgesproken van het haar ten laste gelegde medeplegen van overtreding van art. 252 W. v. S. dat het te vondeling leggen van een kind strafbaar stelt met maximaal vier jaar en zes maanden gevangenisstraf. De rechtbank achtte het wettig bewijs niet geleverd, aangezien bij de behandeling volgens haar wel is komen vast te staan, dat de vrouw de baby niet vrijwillig heeft afgegeven, doch dat Jan P. haar het kind heeft afgekomen en naar een ander vertrek gebracht, zodat Martha van der V. geen invloed meer kon uitoefenen op het bij haar blijven van de baby.

Het O.M. had de vrouw ten laste gelegd, dat zij het kind aan Jan P. - de hoofddader in deze zaak, die nog niet terechtstond omdat er uit hoofde van oplichting nog een onderzoek tegen hem gaand eis - had afgegeven, althans had ingestemd met het wegbrengen door P., subsidiair dat de vrouw hem de baby ter beschikking had gesteld om die te vondeling te leggen.
De rechtbank zegt in haar overwegingen o.m., dat verdachte heeft erkend voor de geboorte met P. en haar ouders een afspraak te hebben gemaakt om het kind uit de woning en de omgeving te doen verdwijnen. Zij ontkende echter pertinent, dat die afspraak nà de geboorte is herhaald of dat er toen weer overleg tussen haar, P. en de ouders zou zijn geweest om het kind weg te brengen. Ook ontkende zij, dat zij tot dat doel het kind zou hebben afgegeven of haar instemming zou hebben betuigd met een zich ontdoen van het kind of er zelfs maar innerlijk mee zou hebben ingestemd.
Integendeel, toen het kind eenmaal geboren was, wilde zij, zo verklaarde de vrouw volgens de overwegingen, het houden en gaf zij dat aan P. te kennen. P. heeft toen het kind, zonder de vrouw erin te kennen en haar verder in te lichten, van haar weggenomen en naar een ander vertrek gebracht, waarna verdachte over het kind verder niet is ingelicht dan toen het al naar Amsterdam was weggebracht en achtergelaten. Tegenover de verklaringen van Martha van der V., die vóór de geboorte wel van plan was zicht van het kind te ontdoen, staat slechts de verklaring als getuige van Jan P., die echter zakelijker erop neerkomt, dat hij, teneinde te voorkomen, dat de vrouw het kind het leven zou benemen, dit van haar wegnam, het naar een ander vertrek bracht en het vervolgens samen met Jan van der V. naar Amsterdam vervoerde om het daar te vondeling te leggen.

Daargelaten, aldus de rechtbank, of de verklaring van P. wel betrouwbaar is te achten - P. heeft toegegeven dat hij het kind wegnam - ontkennen de vrouw en haar ouders stellig, dat er n&agrave de geboorte nog overleg over het wegbrengen van de baby is geweest. De rechtbank twijfelt derhalve aan de betrouwbaarheid van de verklaringen van Jan P. Hoewel de afspraak vóór de geboorte (aangegaan vermoedelijk uit vrees, dat zij in een echtscheidingsprocedure als gedaagde zou moeten verschijnen en kans zou lopen haar oudste dochtertje te verliezen) een zeer bedenkelijk licht werpt op deze vrouw, kan dit niet wegnemen, dat de quintessens van het haar ten laste gelegde, dat haar gedrag en houding nà de geboorte betreft, rechtens onbewezen is. Reden waarom de rechtbank op al deze overwegingen meende verdachte te moeten vrijspreken en haar onmiddellijke invrijheidsstelling (de vouw bracht ruim zeven weken in voorlopige hechtenis door) te gelasten.

 

De Telegraaf, 28 mei 1959: "Kindje te vondeling gelegd: eis 5 jaar"

Van onze correspondent LEEUWARDEN, donderdag Vijf jaar gevangenisstraf en ter beschikkingstelling van de regering eiste de officier van Justitie, mr. H. Kuipers, gisteren tegen de 45-jarige vertegenwoordiger J. P. te Leeuwarden. De naam van deze man klonk enkele maanden geleden reeds dikwijls in de strafzaak tegen de familie Van der V. uit Leeuwarden, waarvan drie leden toen terecht stonden wegens het te vondeling leggen van een baby in een portiek aan de Archimedesweg te Amsterdam in maart 1958. P. stond toen niet terecht, omdat nog een onderzoek tegen hem gaande was inzake oplichting van A. de Boer te Bolsward tot een bedrag van ƒ 23.000. Beide zaken vormden gisteren het voornaamste deel van de tenlastelegging. Verdachte gaf toe tezamen met Van der V. de baby naar Amsterdam te hebben gebracht, doch beweerde, dat de moeder — een getrouwde vrouw met wie hij een verhouding had — hem hiertoe had aangespoord. Het geld had de man met een fantastisch verhaal los gekregen van de rentenierboer A. de Boer, met wiens dochter hij zich had „verloofd". Verdachte vertelde hun, dat hij in het bezit was van kunstschatten, goud en sieraden, die echter in een Frans klooster waren verstopt. Hij wist De Boer ten slotte zo te bepraten, dat deze hem geld ter beschikking stelde om het geld naar Nederland te vervoeren. De officier van Justitie noem de in zijn requisitoir verdachte een man, die op alle mogelijke manieren tracht op te vallen en een belangrijke rol te spelen. Het oplichten zit hem als het ware in het bloed en de rapporten noemen hem niet geheel toerekeningsvatbaar. Niettemin zag hij een gevoelige straf op zijn plaats en etste derhalve 5 jaar gevangenisstraf en ter beschikkingstelling van de regering.

 

Nieuwsblad van het Noorden, 28 mei 1959: "Rechtbank te Leeuwarden - Huwelijkszwendelaar lichtte boer te Bolsward voor ƒ 28.000 op - Als „goed gesitueerd zakenman” in contact met vele vrouwen"

Voor vier verschillende feiten moest zich woensdagmorgen de 45-jarige vertegenwoordiger Jan P. te Leeuwarden voor de Leeuwarder rechtbank verantwoorden. In de eerste plaats was hem het tegen betaling ten verstoren van zwangerschap bij een huisvrouw uit Wolvega ten laste gelegd. Verder moest hij zich verantwoorden voor zijn aandeel in het te vondeling leggen op 21 maart 1958 van een baby in het portiek van het perceel Archimedesweg 52 te Amsterdam en tenslotte werden hem twee oplichtingen verweten en wel van de rustend veehouder Arjen R. de B. te Bolsward voor f 28.000 en van de garagehouder H. v.d. Werf te Bolsward door het vastzetten van een kilometerteller in een door hem gehuurde auto. De Officier van Justitie, mr. H. W. Kuipers, die in P. een „huwelijkszwendelaar in optima forma" zag, vorderde tegen P. vijf jaar gevangenisstraf met aftrek en ter beschikkingstelling van de regering.

In 1945 was P. door het Bijzonder Gerechtshof te Amsterdam veroordeeld tot 19 jaar gevangenisstraf, omdat hij in de eerste jaren van de bezetting Joodse landgenoten tegen betaling van f 10.000 per stuk "Ausweise" had beloofd, welke echter nimmer geleverd werden. Na zeven jaar werd P. weer in vrijheid gesteld. Hij begon kort na zijn vrijlating opnieuw met oplichterspraktijken. Zijn grote slag sloeg P. echter toen hij in 1957 kennis maakte met een 44-jarige juffrouw te Bolsward, die op hem verliefd raakte. Hij vertelde aan haar en haar vader A.R. de B., dat hij voor de oorlog KLM-vlieger was geweest, maar door de bezetter gedwongen was om voor de "Luftwaffe" te werken. Toen hij een een transport Joden moest overvliegen, zou hij deze mensen veilig ondergebracht hebben in een Frans klooster en uit dankbaarheid enkele tonnen aan juwelen gekregen hebben. De moeilijkheid was echter, om deze juwelen het land binnen te krijgen. Daarvoor zou een auto gehuurd moeten worden en zouden douanebeambten moeten worden omgekocht.

Op deze praatjes lukte het hem van de veehouder verschillende bedragen los te krijgen en tenslotte wist hij De B. er toe te bewegen een auto voor hem te kopen. Deze auto gebruikte hij echter niet om de juwelen op te halen, maar om indruk te maken op de diverse vrouwen met wie hij als "goed gesitueerd zakenman" door middel van advertenties in een landelijk weekblad in contact was gekomen. In juli 1958 kocht hij van het geld van de veehouder twee gouden ringen en „verloofde" zich toen met zijn dochter, hoewel hij reeds getrouwd was en drie kinderen had. P. ging door met het „lenen" van geld. In totaal maakte hij de veehouder f 28.000 afhandig, wat 75 % was van diens gespaarde kapitaal. Ondertussen leefde P. samen met een 25-jarige huisvrouw te Leeuwarden en deze samenleving leidde op 21 maart 1958 tot de geboorte van een zoon. P. had toen, naar zijn zeggen om het kind voor doodslag door de moeder te behoeden, het samen met de grootvader in Amsterdam te vondeling gelegd. De grootvader werd daarvoor op 21 januari j.l. tot zes maanden gevangenisstraf veroordeeld, terwijl de moeder van het kind werd vrijgesproken.

Het psychiatrisch rapport noemde P. een man, die graag interessant wilde zijn en bewonderd wilde worden. Hij zou bovenal behoefte hebben aan verering door het zwakke geslacht. Hij maakte op vrouwen door zijn correcte optreden en keurige verschijning een bijzonder sympathieke indruk. Zelfs toen hij ter observatie in de psychiatrische observatiekliniek ver toefde had hij nog een dame „in zich weten te interesseren", welke hem geregeld bezocht. De Officier achtte alle feiten bewezen. Z.i. was de poging die P. gedaan had bij een huisvrouw in Wolvega om abortus op te wekken door middel van inspuitingen een buitengewoon gevaarlijke misdaad, omdat het herhaaldelijk voorkomt, dat op deze wijze „behandelde" patiënten het leven er bij inschieten. Ergerlijk noemde hij het feit, dat P. met zon verleden nog over zijn gedrag tegenover de Joden durfde pochen en zich niet diep schaamde over zijn misdadig optreden in de oorlog. Hij meende dat de samenleving tegen een dergelijke figuur beschermd moest worden en vorderde tegen P., die volgens de psychiaters slechts in geringe mate verminderd toerekeningsvatbaar is, de bovenvermelde straf.

De raadsman, mr. H. Smeding, stelde dat het zedendelict en de knoeierij met de kilometerteller niet bewezen waren. Z.i. waren de beide andere feiten gepleegd onder zedelijke dwang van de figuur op de achtergrond", de moeder van de te vondeling gelegde baby. Over 14 dagen zal de rechtbank vonnis wijzen.

 

Friese Koerier, 28 mei 1959: "Rechtbank Leeuwarden - Vertegenwoordiger met rijke fantasie lichtte rentenier op voor f 28.000 - Officier van Justitie eiste tegen Jan P. vijf jaar gevangenisstraf"

(Van een onzer verslaggevers) LEEUWARDEN — „Een man met een ziekelijke noodzaak om een belangrijke rol in het leven te spelen; populair gezegd: iemand die het oplichten in het bloed zit", zo kwalificeerde de officier van justitie, mr. H. W. Kuipers gisteren de man, die zich wegens vier ernstige feiten voor de Leeuwarder rechtbank verantwoorden moest: de 45-jarige vertegenwoordiger Jan F. te Leeuwarden. Allereerst was hem ten laste gelegd het te vondeling leggen van een baby (tezamen met de in januari j.l. veroordeelde J. van der V. te Leeuwarden) in een portiek van een woning aan de Archimedesstraat te Amsterdam. Voorts bevatte de tenlastelegging een beschuldiging van oplichting tot een bedrag van f 28.000 ten nadele van de rustend veehouder A. R. de Boer te Bolsward, van oplichting van de garagehouder H. van der Werf aldaar door het buiten werking stellen van de km-teller ener huurauto en ten slotte van het uit winstbejag plegen van een zedendelict (abortus) te Leeuwarden. Voor al deze feiten vroeg de officier verdachtes veroordeling tot vijf jaar gevangenisstraf met aftrek, plus daarna terbeschikkingstelling van de regering.

Uit de gehele behandeling van de zaak bleek, dat P. iemand is, die graag interessant wil doen. Hij heeft een bijzonder rijke fantasie, praat vlot en goed, kleed: en beweegt zich uitstekend en maakt daardoor op eenvoudige mensen grote indruk. Ook mej. Antje de Boer te Bolsward, die in 1957 kennis met P. maakte, was spoedig van hem gecharmeerd; en op haar vader maakte deze „ontwikkelde man" al gauw indruk.

Aanvankelijk kwam P. niet al te vaak bij de rustend veehouder over de vloer; hij had blijkbaar snel door, dat hier „iets te beginnen was" en wilde de beide mensen niet afschrikken. Allengs werden de bezoeken veelvuldiger en liet P. goed blijken, dat hij een „belangrijk man" was. Bovendien ging hij, die gehuwd was, in Leeuwarden voorts nog omgang met een gehuwde vrouw had, zich met Antje verloven. En toen kwamen de verhalen.... P. vertelde boeiend en zo ging zijn verhaal, dat hij voor de oorlog KLM-vlieger was geweest, en in de bezettingsjaren door de Duitsers was geprest bij hen dienst te nemen, naar de geallieerden was gevlucht en daar transportvluchten had ondernomen, er in als zoete koek. Hij dramatiseerde de zaak wat: was boven Frankrijk neergeschoten, door de bezetters gevangen genomen en toen met bijzondere opdrachten belast. Hierdoor kreeg hij kans ondergedoken Joden van het vuurpeleton te redden en die met hun, vaak kostbare bezittingen maar een klooster in Zuid- Frankrijk over te brengen. Uit dankbaarheid hadden velen hem toen kostbaarheden vermaakt en in hun testament bedacht.

Die kostbaarheden lagen nog altijd in het klooster. P. zou die zo graag ophalen, maar bezat geen geld om de douane om te kopen. De De Boers overwogen „schoonzoon-in-spé" te helpen en gingen met hem een tochtje maken naar Klundert, ten einde bij een daar wonende neef te informeren of er mogelijkheden waren de douane te „stoppen". Het bezoek leverde niet zo heel veel op, maar wel leidde het ertoe, dat P. het eerste geld van De Boer los kreeg. Na terugkeer met een huurauto in Bolsward reed P. ermee naar Leeuwarden, doch botste bij Schamegoutum tegen een boom. Hij meldde zich weer bij zijn verloofde en zei ƒ 1500 nodig te hebben om de auto onder een beslag vandaan te krijgen. De eerste aderlating kostte weinig moeite. Dat was op 19 januari. En nadien is P. er met zijn gladde tong in geslaagd nog dikwijls bedragen los te krijgen. Een staatje van Kingma's bank te Bolsward toonde, dat de rentenier vrij frequent bedragen had opgenomen, variërend van ƒ5OO tot ƒ2500. Zij zijn snel in handen van P. overgegaan, die ze nodig had voor het huren van auto's en bezoeken aan het grensgebied Op een gegeven ogenblik kwam hij met een auto bij De Boer voorrijden en stelde voor deze maar te kopen; dan waren ze van het dure huren van auto's af. Het was een tweedehands wagen, waarvoor „schoonvader" f 1500 neertelde.

Enkele keren kwamen er toen in den huize De Boer plotseling telegrammen binnen voor P. van een zekere Pelzer, die waarschuwde, dat het niet meer vertrouwd was met een auto aan de grens of in het buitenland te komen: in ieder geval kon de schat uit het klooster niet per auto geborgen worden. „Nou dan doen we het met een vliegtuig", zei P. tot De Boer. Hij zei kans te zien een vliegtuig te huren, daarmee naar Frankrijk te gaan en dan de schatten bij Nijmegen te kunnen droppen. Ook hier tippelde De Boer in. Hij gaf P. ƒ2500 om een toestel te huren en later nog eens eenzelfde bedrag. P. heeft nooit een vliegtuig gezien .... Van januari tot 20 augustus '58 duurde dit „spel" voort; pas toen kregen de De Boers argwaan en werd de politie gewaarschuwd. En het duurde, tot oktober eer P. toegaf de rentenier te hebben opgelicht.

De heer De Boer als getuige gehoord, was aanvankelijk maar zeer aarzelend in zijn verklaringen. Toen de president, mr. H. J van Maanen, met hem de gebeurtenissen wilde nagaan, kwam er weinig positiefs van de kant van de getuige los. De president vroeg hem of P. mooie verhalen had gedaan over vliegen bij de KLM, over gevangenname door de Duitsers, over een vlucht naar de geallieerden, enz. Op al deze vragen antwoordde getuige: „Durf ik niet te zeggen...." Ook op de vraag of P. in Duitse gevangenschap kans had gezien Joden te helpen, gaf getuige ten antwoord: „Durf ik niet te zeggen". President: „Ja hoor eens meneer; dit wordt me te gek. U hebt dit voor de rechtercommissaris toegegeven. U was toen 74 en nu bent u 75. In één jaar tijd kunt u dit alles nog niet vergeten zijn. Getuige verklaarde toen nog wel te weten, dat hij P. vele malen geld heeft gegeven, enkele malen zelfs flinke bedragen. President: „Wel ƒ28.000 in totaal? En waar zei de man dat geld voor nodig te hebben?" Getuige: „Ja het was veel geld en P. had het nodig om naar Frankrijk te gaan en de schat van de Joden te halen. Hij zou...." President: „Nu weet u dus toch wel, dat het met Joden te maken had en zonet zei u, dat P. van geen Joden gesproken had!" Getuige: „Och meneer ik kan u vertellen, dat mijn zenuwgestel een zware schok heeft gehad; ik weet niet alles zo precies meer". President: Maar u herinnert zich nu toch wel, dat P. uit dankbaarheid van Joden schatten had gekregen, die in Frankrijk verborgen lagen en dat er geld nodig was om die te halen?" Getuige: „Dat speelt me nog wel door het hoofd". Ook verder komen de rechters van De Boer aan de weet hoe P. zijn verhaaltjes inkleedde om maar geld los te krijgen.

In zijn requisitoir legde mr. Kuipers pr de nadruk op, dat P. iemand is, die altijd wel een fantastisch verhaal weet te vertellen. Of dat nu in het geval Bolsward is, of in de kwestie van het te vondeling leggen van de baby dan wel in de zaak van het zedenmisdrijf de man wilde dik doen, opvallen en zijn eigen ik op de voorgrond stellen.

Bij zijn voorstel aan een echtpaar te Leeuwarden om abortus te veroorzaken zorgde hij wel, dat hijzelf goed weg kwam. Hij toucheerde een flink bedrag voor zijn aanwijzingen Vergat daarbij dat hij het leven van de vrouw in de waagschaal stelde. Ook bij het te vondeling leggen van de baby van Martha van der V. bracht hij het leven van de kleine in gevaar door toe te laten, dat grootvader Van der V. hem in een tochtig trapportaal legde, waarbij het niet denkbeeldig was, dat iemand erop trapte. P. beweert nu wel, dat hij het kind voor erger heeft behoed omdat de moeder de baby niet wenste, doch de verklaringen van de Van der V.'s wijzen in een andere richting en zeggen, dat P. de aanstichter van het te vondeling leggen was. Over de oplichting bestaat geen twijfel. P. ontkent deze ook niet, stelt alleen, dat hier de gelegenheid de dief maakte....

„Wat is dit voor man?" vroeg mr. Kuipers. Hij ziet er keurig uit, is uiterlijk goed verzorgd en wekt vertrouwen. Maar uit de rapporten blijkt, dat hij zeer onevenwichtig is en alleen maar steeds met zijn eigen-ik bezig. P. is ter wereld gekomen in een gedegenereerd gezin en dat werd zijn noodlot. Hij heeft geen vertrouwen in anderen. Dat is in zijn huwelijksleven gebleken. Driemaal was hij gehuwd en driemaal scheidde hij; de huwelijken strandden, omdat hij altijd weer met zichzelf vast zat. In de bezettingstijd is het goed spaak gelopen. Hij heeft toen afschuwelijk misbruik gemaakt van de positie der Joden en velen op de gemeenste manier geld afgeperst. Het bijz. gerechtshof veroordeelde hem deswege in 1945 tot negen jaar gevangenis. En deze man hangt dan een verhaal op over de Joden, die hij geholpen heeft....

Hij heeft veel leed veroorzaakt; niet alleen in deze gevallen, doch ook in andere. De man plaatste wekelijks in een groot weekblad huwelijksadvertenties, terwijl hij getrouwd was.... Geen wonder, dat de psychiatrische rapporten hem verminderd toerekeningsvatbaar verklaren. Dit neemt echter niet weg, dat zijn daden gestraft moeten worden. Volgens spr. moet de man voor lange tijd uit de maatschappij verwijderd worden. Eis derhalve vijf jaar gevangenisstraf met aftrek en daarna ter beschikkingstelling van de regering. Ook de president ging met verd. de rapporten na. Daaruit blijkt, dat de man al zes veroordelingen achter de rug heeft. Vooral het laatste feit — afpersing van Joden — vond mr. Van Maanen verschrikkelijk En al wordt men dan gegrepen door het leed, dat deze man in zijn jeugd heeft moeten doormaken, waardoor zijn karakter volkomen misvormd is, feit is toch ook, dat deze verdachte tegen zichzelf beschermd moet worden.

De verdediger mr. H. Smeding te Leeuwarden kon hierin meegaan, doch verklaarde, dat men deze bescherming niet bereikt door de man een gecombineerde straf op te leggen in die zin, dat hij eerst langdurig in de gevangenis zal moeten verblijven om daarna ter beschikking gesteld te worden. Pleiter drong op onmiddellijke terbeschikkingstelling aan of subs. na het ondergaan van een korte straf. Mr. Smeding meende, dat in het zedendelict niet voldoende bewijs is aangevoerd voor de schuld van P. En in het geval van de vondelingbaby staat het voor pleiter nog lang niet vast, dat P. de hoofddader was. Integendeel, de man heeft de baby voor erger behoed. De vrouw wilde immers niets van het kind weten en toen P. het bij haar wegnam was het al blauw, omdat het geen kleertjes droeg. Verd. heeft het gewarmd en in een verwarmde auto naar elders gebracht. Zou hij het kind niet gewenst hebben, dan had P. wel een andere weg gevolgd.... Wat de oplichting betreft, deze geeft P. toe, maar pleiter wilde erop wijzen, dat alles hem wel gemakkelijk is gemaakt. De gedupeerden zijn toch wel heel naïef geweest. Men bedenke voorts, dat P. een slachtoffer uitkoos, dat de „slag" kon ondergaan; het is door P.'s manipulaties niet tot de bedelstaf gebracht. Erop wijzend, dat deze P. niet alleen slachtoffers heeft gemaakt, doch ook zelf slachtoffer is door zijn verknoeide jeugd, drong pleiter op de meest mogelijke clementie aan. Uitspraak 10 juni a.s.

 

Leeuwarder courant, 10 juni 1959: "Vonnis conform eis - Vijf jaar met aftrek voor verdachte J.P."

Conform de eis van de officier werd vanmorgen door de Leeuwarder rechtbank de 45-jarige Leeuwarder vertegenwoordiger J. P. veroordeeld tot vijf Jaar gevangenisstraf met aftrek en ter beschikkingstelling van de regering. Hij werd schuldig bevonden aan het te vondeling leggen van een kind, oplichting, meermalen gepleegd en poging tot afdrijving. P. lichtte in Bolsward een rustend veehouder voor f 23.000 op, en was de hoofdpersoon in het geval van het te vondeling leggen van een enkele uren oude baby in een portiek van een flat aan de Archimedesweg te Amsterdam in de nacht van 21 op 22 maart van het vorig jaar. Verdachte heeft direct na de uitspraak hoger beroep aangetekend.

 

Friese koerier, 10 juni 1959: "Uitspraak in zaak te vondeling gelegde baby - Vijf jaar met aftrek voor Jan P. uit Leeuwarden"

LEEUWARDEN — De rechtbank heeft hedenmorgen uitspraak gedaan in de zaak tegen de 45-jarige Leeuwarder vertegenwoordiger Jan P., die zich veertien dagen geleden verantwoorden moest wegens oplichting, wegens het te vondeling leggen van een baby, wegens een zedendelict en wegens verduistering. Voor al deze feiten eiste de officier van justitie, mr. H. W. Kuipers, toen vijf jaar gevangenisstraf met aftrek van tien maanden voorarrest en daarna terbeschikkingstelling van de regering. P. werd thans overeenkomstig de eis veroordeeld. P. heeft na de uitspraak onmiddellijk hoger beroep aangetekend.

Men zal zich herinneren, dat deze welbespraakte en keurig uitziende man door de meest fantastische verhalen over verborgen kloosterschatten in Frankrijk een rustend veehouder te Bolsward had bewogen tot afgifte van tal van geldsbedragen — o.m. voor het tweemaal huren van een vliegtuig! — tot een totaal van ƒ 28.000. Hij kon dit geld in handen krijgen door voor te geven van plan te zijn met de dochter van de veehouder in het huwelijk te zullen treden.

Op hetzelfde ogenblik leefde hij in Leeuwarden samen met een gehuwde vrouw, wier baby hij om geen moeilijkheden te krijgen, in Amsterdam te vondeling legde. Voorts heeft hij een Leeuwarder huisvrouw een middel aan de hand gedaan tot verstoring van zwangerschap. En ten slotte pleegde hij verduistering door van een gehuurde Volkswagen de kilometerteller buiten werking te stellen.

 

Het Vrije Volk, 10 juni 1959: "Vijf jaar voor te vondeling leggen van baby"
De Telegraaf, 11 juni 1959: "Vijf jaar cel voor ontaarde vader"

De 45-jarige J. P. uit Leeuwarden is wegens het te vondeling leggen van een baby te Amsterdam en het plegen van verschillende oplichtingen vanmorgen conform de eis veroordeeld tot vijf jaar gevangenisstraf met aftrek en terbeschikkingstelling van de regering. P. heeft tegen dit vonnis hoger beroep aangetekend.

 

Nieuwsblad van het Noorden, 12 mei 1960: "Tevondelinglegging Leeuwarder baby - Eis: straf gelijk aan voorarrest"

De P.-G. bij het Gerechtshof te Leeuwarden, jhr. mr. N. Witsen Elias, vorderde vanmorgen een gevangenisstraf van 6 maanden, waarvan 3 maanden en 2 weken voorwaardelijk met aftrek van preventief en proeftijd van 3 jaar, tegen de 49-jarige technisch ambtenaar van de PTT, Jan van der V. te Leeuwarden. In eerste aanleg was hij tot zes maanden gevangenisstraf veroordeeld.

In de nacht van 21 op 22 maart 1958 had verdachte, samen met de 46-jarige vertegenwoordiger Jan P. te Leeuwarden, een baby te vondeling gelegd in het perceel Archimedesweg 52 te Amsterdam. Dit kind was kort tevoren geboren uit verdachte's dochter Martha T.—van der V., die voordien geruime tijd met Jan P. had geleefd. Men was bang, dat de echtgenoot van Martha T. achter haar verhouding met P. zou komen en daarom werd in overleg met de moeder het kind per auto naar Amsterdam gebracht en in een willekeurig portiek gelegd. Daar werd het de volgende ochtend door een bewoner gevonden. Het duurde echter geruime tijd, voordat uit kwam, wie de baby te vondeling had gelegd. De zaak kwam aan het rollen, toen Jan P. werd gearresteerd, omdat hij te Bolsward een 44-jarige ongehuwde vrouw voor f 28.000 had opgelicht door met haar relaties aan te knopen en — toen het vertrouwen eenmaal gewonnen was — fantastische verhalen te vertellen over joden vermogens, die in Frankrijk zouden zijn verborgen en die, door omkoping van douane-ambtenaren, over de grens gesmokkeld zouden kunnen worden.

De P.G. baseerde zijn lagere eis op het psychiatrisch rapport, waarin als conclusie stond dat de verdachte ten tijde van het delict door de invloed van P. in een dergelijke psychotische toestand verkeerde dat het feit hem nauwelijks kon worden toegerekend. Daarom leek hem een gevangenisstraf gelijk aan het voorarrest op haar plaats. Het hof zal 23 mei arrest wijzen.

 

Leeuwarder courant, 12 mei 1960: "Pasgeboren baby werd in een portiek te vondeling gelegd - Voor hof milde eis tegen grootvader-mededader"

De 49-jarige Leeuwarder J. van der V., technisch ambtenaar bü de P.T.T., stond vanmorgen terecht voor het gerechtshof te Leeuwarden wegens het samen met zekere J. Pool te vondeling leggen van een pasgeboren baby op 21 maart 1958. De verdachte werd hiervoor door de rechtbank veroordeeld tot zes maanden met aftrek na een eis van negen maanden met aftrek. De officier en Van der V. waren van dit vonnis in hoger beroep gekomen.

Het kind was van verdachtes dochter, die bij haar ouders thuis woonde en bezig was van haar echtgenoot te scheiden. Zij had een verhouding met de kostganger Poot. Toen de baby gekomen was, hebben Poot en de grootvader het direct meegenomen in een auto en in de nacht te vondeling gelegd in een portiek van een flat aan de Amsterdamse Archimedesweg, waar het 's morgens door een bewoner werd gevonden.

Een der raadsheren vroeg de verdachte, die een zeer nerveuze indruk maakte en op fluisterende toon aarzelende antwoorden gaf, hoe hij er toe had kunnen komen aan deze daad mee te werken. „Was u dan geheel een willoos werktuig in handen van Poot?" „Ja," zei van der V. „Poot zei: het moest." Hierbij, zo tekende later verdachte's raadsman, mr. P. E. van Krevelen aan, speelde sterk mee, dat Poot de grootouders bewerkt had met het argument, dat het echtscheidingsvonnis ongunstig voor de dochter zou kunnen uitvallen, als de geboorte van dit kindje bekend zou worden. De kans bestond dan, dat men haar het dochtertje uit haar huwelijk zou afnemen.

Een psychiatrisch rapport heeft uitgewezen, dat Van der V. tijdens het medeplegen van het misdrijf nauwelijks of niet toerekeningsvatbaar was. Hij heeft 2½ maand in een hem bijzonder zwaar vallend voorarrest doorgebracht, dat indertijd door het hof is geschorst. De procureur-generaal, jhr. mr. N. Witsen Elias, rekening met dit rapport houdend en wijzend op de lange tijdsduur welke deze trieste zaak nu reeds heeft geëist, vorderde zes maanden met aftrek waarvan drie maanden plus twee weken voorwaardelijk met 3 jaar proeftijd, hetgeen dus betekent dat bij conform arrest verdachte een nieuwe detentie kan ontgaan.

Mr. Van Krevelen bepleitte ontslag van rechtsvervolging. Hij wees er op, dat bij bestraffing zijn cliënt hoogstwaarschijnlijk uit de PTT-dienst zal worden ontslagen. Aanvankelijk was hij geschorst, later heeft men v.d. V. ziekteverlof gegeven. Het hof zal over veertien dagen in deze zaak arrest wijzen.

 

Friese koerier, 13 mei 1960: "Gerechtshof Leeuwarden - Baby te vondeling gelegd: in hoger beroep clementere straf geëist"

LEEUWARDEN - Donderdagochtend stond de 49-jarige J. van der V., technisch ambtenaar van de PTT te Leeuwarden, voor het gerechtshof terecht onder beschuldiging van te vondeling leggen van een buitenechtelijk kindje van zijn dochter M. T. van der V. Van der V. werd terzake op 21 januari 1959 door de Leeuwarder rechtbank veroordeeld tot een gevangenisstraf van 6 maanden met aftrek van preventieve hechtenis. De eis was 9 maanden.

Verdachte bekende dat hij met de vader, de 46-jarige J. P. het kind per auto naar Amsterdam had gebracht in de avond van de 21e maart 1958, vlak na de geboorte. Zij hadden de baby daar ergens in een trapportaal neergelegd waar de bewoner het „wurm" de volgende ochtend ontdekte.

Verdachtes dochter en schoonzoon woonden met hun dochtertje Tineke bij hem in. Later was P. er als vijfde huisgenoot bijgekomen. De president van het hof, mr. A. H. Prins, vond de toestanden die in het huis van Van der V. heersten onbegrijpelijk. „U heeft in uw huis de meest fantastische toestanden toegelaten", zo zei hij. „U had daartegen toch maatregelen kunnen nemen?" Verdachte zei echter te hebben gehandeld onder invloed van P. „Het moest, het moest" was alles wat hij uit kon brengen. „Ik snap nu nog niet dat ik het heb gedaan".

De procureur-generaal, mr. N. J. Witsen Elias, betreurde het dat deze zaak zo lang had geduurd in verband met het opstellen van nieuwe psychiatrische rapporten. Gebleken was dat Van der V. ten tijde van het delict niet of nauwelijks toerekeningsvatbaar was geweest. Het leek de p-g beter verdachte niet opnieuw van zijn vrijheid te beroven. Hij vorderde 6 maanden gevangenisstraf waarvan 3½ voorwaardelijk met aftrek van voorarrest. (2½ maand)

De raadsman, mr. P. E. van Krevelen, verklaarde dat zijn cliënt niet op de hoogte was geweest van het feit dat zijn dochter zwanger was en dat de geboorte van het kindje voor hem een volslagen verrassing was geweest. Bovendien had hij onder druk van P. gestaan die gedreigd had dat Van der V. zijn kleindochtertje zou kwijt raken wanneer hij niet deed wat P. zei. De verdediger verzocht het hof verdachte te willen ontslaan van rechtsvervolging (op grond van ontoerekeningsvatbaarheid) subsidiair oplegging van een geldboete.

 

De Tijd De Maasbode, 25 mei 1960: "Gerechtshof Leeuwarden - Kind te vondeling gelegd - Dader krijgt twee maanden gevangenisstraf"

LEEUWARDEN, 24 mei — Het gerechtshof heeft gisteren een 49-jarige technisch ambtenaar van de PTT veroordeeld tot twee maanden gevangenisstraf met aftrek van voorarrest. De ambtenaar zou samen met een 46-jarlge vertegenwoordiger te Leeuwarden in de nacht van 21 op 22 maart 1938 een baby te vondeling hebben gelegd.

21 maart kreeg de dochter van de beklaagde een baby, tengevolge van een buitenechtelijke verhouding met de vertegenwoordiger. Daar deze geboorte van invloed kon zijn op het verloop van de echtscheidingsprocedure, die in behandeling was tussen verdachte's dochter en haar man, werd besloten het kind te laten verdwijnen. Per auto brachten de grootvader en de vader het kind naar Amsterdam, waar het in een portiek van een woning aan de Archimedesweg werd gelegd. Het kind werd de volgende dag gevonden. Het werd toevertrouwd aan de voogdijraad en verblijft inmiddels bij pleegouders. Destijds was beklaagde door de rechtbank tot zes maanden met aftrek veroordeeld, maar de procureur-generaal stelde zijn eis op zes maanden, waarvan drie en een halve maand voorwaardelijk met aftrek, omdat uit een inmiddels uitgebracht psychiatrisch rapport bleek, dat beklaagde zo onder invloed van de vertegenwoordiger is geweest, dat hij nauwelijks toerekeningsvatbaar was. De vertegenwoordiger werd destijds voor dit feit en een door hem gepleegde oplichting tot vijf laar met aftrek en ter beschikkingstelling van de regering veroordeeld.