Vondeling leggen

home-vondeling

Babydoding

home-neonaticide

Zusmoederschap

home-zusmoederschap

Illegale opneming

home-opneming

Vondelingen en babylijkjes in Nederland

16 oktober 1964, vondelingen Ronald en Erik van Zuiden, Apeldoorn

 

De Telegraaf, 19 oktober 1964: Wethouder G. van der Tak: babysit tegen wil en dank - Jan van Zuiden: kinderen te vondeling voor een woning - Wanhopige vader in de cel"

Van onze speciale verslaggever. APELDOORN, maandag. VAN Z'N LEVEN zou ik mijn kinderen niet kwijt willen — het zijn lieverdjes!" Dit zegt mevrouw TONNY VAN ZUIDEN-BOMHOF (21) uit Apeldoorn. „Wij willen alleen dolgraag een woning, want nu voelen wij ons niet anders dan zwerfkatjes. Mijn man had gehoopt, dat wethouder VAN DER TAK wel zou schrikken, als hij met onze kinderen bleef zitten en ons wel een huis zou geven. Maar te vondeling leggen — of dat wij ons van de kinderen zouden willen ontdoen? — Geen sprake van."

In het Apeldoornse hoofdbureau van politie zit haar 33-jarige echtgenoot, bedrijfsleider Jan van Zuiden, in de cel. Hij, en eerst ook zijn vrouw Tonny, werden zaterdag aangehouden op grond van artikel 256 van het wetboek van strafrecht: het te vondeling leggen van een kind jonger dan 7 jaar of het achterlaten ervan met het oogmerk zich van het kind te ontdoen. Mevrouw Van Zuiden is later op vrije voeten gesteld.

Tonny en Jan van Zuiden hadden vrijdag de 64-jarige Apeldoornse wethouder van huisvesting, de heer G. van der Tak, tot babysit gebombardeerd. Toen zij op het spreekuur van de wethouder voor een woning wéér nul op het rekest kregen hadden zij in paniek de reiswieg met de 7 maanden oude Erik en hun 3-jarig zoontje Ronald in de kamer van de wethouder achtergelaten.

„ACH, DE KOOL is de sop niet waard", zei gistermiddag wethouder G. van der Tak (VVD). „De grootmoeder van vaders kant, die er ook bij was, heeft zich onmiddellijk over het oudste jongetje ontfermd. Via Sociale Zaken en de kinderpolitie hebben wij voor de baby onderdak gevonden in een kindertehuis in Brummen. Mijn vrouw zei later: had die baby maar meegebracht, dan hadden wij er wel voor gezorgd tot de familie Van Zuiden weer wat in haar gewone doen was.

"IK KAN DE mensen niet aan een woning helpen, want we hebben ze niet — ik kan mij voorstellen, dat je daardoor in paniek raakt. De mensen probeer ik altijd zoveel mogelijk een hart onder de riem te steken. Toen Van Zuiden ineens de kamer wilde uitlopen zei ik nog tegen hem: „krijg ik geen hand meer van je?" Toen hij terug kwam heb ik gezegd: „Joch, ik heb geen hekel aan je — ik wou dat ik je kon helpen. Toen liep hij weg, met zijn vrouw en liet de kinderen achter!" „Maar om nu de Raad voor de Kinderbescherming erbij te halen en er een geweldige zaak van te maken, nee! Ik geloof, dat deze mensen door hun woningproblemen gewoon een beetje de kluts kwijt zijn. Wat die mensen hiervoor voor straf moeten hebben? Helemaal niets!!"

DE 56-JARIGE G. W. van Zuiden vertelde gisteren hoe hij zaterdagavond geprobeerd had op het politiebureau met zijn zoon te spreken en hem wat tot rede te brengen. „U mag er niet bij", zei de politie. Zijn schoondochter zei: „Ik kan niet meer naar huis, al zou ik dat willen. Mijn man heeft de enige huissleutel!" Jan van Zuiden en Tonny Bomhof waren nagenoeg buren in de Apeldoornse Roggestraat. Ruim 3½ jaar geleden sloten zij een huwelijk en vonden inwoning bij de omstreeks 70-jarige grootmoeder van Tonny, mevrouw Bomhof, die aan de Soerenseweg woont. Tot voor een jaar geleden gaf deze huisvesting geen enkel probleem. Toen scheidden de ouders van mevrouw Van Zuiden—Bomhof. Haar moeder bleef in haar woning aan de Roggestraat en haar vader trok in bij moeder en grootmoeder aan de Soerenseweg.

EN DAARMEE kwamen de problemen. Door de scheiding ontstonden er tal van onverkwikkelijkheden. „De afgelopen woensdag zijn mijn man en mijn vader met elkaar in een ernstig conflict gekomen. Het is goed afgelopen, maar wij kunnen er niet meer blijven wonen. Dat gaat onherroepelijk mis. Daarom zijn wij naar de wethouder gegaan om hem alles uit te leggen," aldus mevrouw Van Zuiden. Tevergeefs. Omdat de heer Van Zuiden bij een eerder bezoek aan de wethouder wel eens had gezegd: „Ik weet het niet meer, ik geloof, dat ik maar naar Duitsland ga", veronderstelde hij, dat Tonny en Jan van Zuiden er in paniek een of twee dagen tussenuit zouden trekken.

MAAR DAT gebeurde niet. Toen zij zaterdagmiddag bezig waren hun meubelen uit de woning aan de Soerenseweg te halen stond daar ineens de politie. „Hoe lang Jan nu in die cel moet zitten? Ze dachten op het bureau wel tot woensdag. Maandag is de officier van Justitie pas weer te bereiken en voordat die de zaak onderzocht heeft, duurt het ook nog wel twee of drie dagen!'